‘Mag ik een foto?’

‘Ik denk dat jullie de verkeerde toer hebben geboekt.’
De gids wijst met zijn vinger naar onze posturen.
Ik met mijn slanke genen, en Gergö na twee weken ziekenhuis (waarvan een aantal dagen met alleen sondevoeding) als een mager hoopje mens.
‘Dit is niet iets sportiefs, we hoeven bijna niet te lopen.’
Ik glimlach. ‘All good, he can’t walk that far yet.’

Ons busje met acht toeristen verlaat de intense smog van Santiago en rijdt over hobbelige paadjes het Andesgebergte in. ‘Als er nu iets mis gaat, zijn we écht de pineut,’ schiet het door me heen. Een gevoel dat dit uitstapje waar we zo aan toe waren een fout was, bekruipt me, maar ik durf het niet hardop te zeggen. 

De rit lijkt eindeloos te duren. Een van de toeristen drinkt het ene blik bier na de andere, twee anderen verstaan nauwelijks Engels en bijna geen Spaans en krijgen een handen-en-voeten vertaling van alles wat onze gids naar achteren roept. 

Het gehots en gebots over het rotsige pad naar het bergmeer doet me afdwalen naar Gergös rit in de ambulance. Drie uur duurde het, om met een ontstoken, barstende blindedarm vanaf het basiskamp door de woestijn bij het “ziekenhuis” in Calama te komen.
Een ziekenhuis waar hij niet in het bed paste en waar de enige die drie woorden Engels sprak de anesthesist was: ‘Me, you sleep.’
Waar ze nog geen twee uur voor de geplande vlucht naar de hoofdstad de reis cancelden en hem toch maar weer opnieuw open sneden omdat ze hem van binnen niet helemaal goed schoon hadden gemaakt.

‘Hoe gaat het met hem?’ sms-te ik in de dagen voor ik zelf ook naar Santiago vloog mijn contactpersoon geregeld. De énige persoon die me op dat moment kon vertellen hoe het met Gergö ging.
‘Ja, wel goed,’ was het antwoord.
‘Mag ik een foto?’ vroeg ik. Ik wilde het met eigen ogen zien.
‘Ik haal even een broodje en dan stuur ik het later.’
De foto bleef uit en later begreep ik van Gergö dat hij deze contactpersoon nauwelijks zag. Hij had de tijd gebruikt om zijn familie te bezoeken, terwijl Gergö alleen in een ziekenhuis lag, op duizenden kilometers afstand van iedereen die hij kende.

We arriveren bij een bergmeer. We stappen uit het busje en zien een indrukwekkende gletsjer en een heleboel gieren. We nemen een groepsfoto met mensen die we nog nooit hebben gezien en nooit weer zullen zien en eten een broodje kaas met een glaasje erbij alsof er niks aan de hand is.

Soms hebben we geen idee wat onze woorden en daden voor een ander kunnen betekenen. Tegenover deze ene contactpersoon stonden handenvol mensen, zowel onbekenden als vrienden & familie, die buiten alle lijntjes kleurden om voor Gergö, (en mij!) te zorgen. Die veel verder gingen dan ‘regelen wat nodig is’.

We staan als mensen dagelijks voor keuzes. We kunnen voor iemand die ene contactpersoon zijn, of de groep mensen die zich als een beschermende deken uitspreidden en het draait hierbij om een belangrijke vraag.
Een vraag waarvan er dagen zullen zijn dat je hem niet kunt stellen, maar waarvan je dan hoopt dat anderen hem aan jou stellen.
Een vraag die, als we hem vaker stellen, de wereld zachter en verdraagzamer maakt:

Wat kan ik voor jou betekenen?


Theater.

Het is aardedonker.
Een lampje doemt op op het onverharde pad dat door de velden naar het dorp leidt.
De fietser heeft hier niets te zoeken op zondagavond om acht uur; de campus die hij achter zich laat is stil. De gebouwen slapen, in afwachting van de nieuwe werkweek die morgen begint.
De man trekt zijn muts van zijn hoofd en propt hem al fietsend in zijn jaszak. De wereld is duidelijk in de war, want de winter zwijgt in alle toonaarden.
Dan ineens: kreten. IJzige kreten die vanuit het struikgewas de stille avondlucht uiteen rijten. Gegil, protest. Een flits van een zaklamp; dan niets meer.

De man fietst door. Zijn geweten schreeuwt dat hij moet stoppen, maar hij kan het niet. Zijn lichaam vecht tegen zijn verstand, zijn benen trappen gewoon verder.
Op het spoor naast het pad haalt een trein hem in, kort lawaai, en dan is hij weer alleen met de avondlucht die beschuldigend haar vinger opsteekt. Nogmaals schalt een hartverscheurende, langgerekte ‘nee’ door de lucht. Het werkt als brandstof op zijn spieren, nog harder fietst hij. Weg van de plek des onheils. Dit is niet gebeurd.

Eenmaal thuis kunnen zelfs een hete kop thee en een lange douche het voorval niet van hem wegspoelen. Een stemmetje in zijn hoofd probeert hem te vertellen dat hij het zich verbeeld heeft, maar de stem klinkt naïef, ongeloofwaardig.
‘Wat is er aan de hand?’ vraagt zijn vrouw als hij even later in zijn badjas voor zich uit zit te staren op de bank. Ze staat tegenover hem en drukt haar handen in haar zij. ‘Je kijkt alsof je een lijk hebt gezien.’
De man voelt hoe zijn spieren aanspannen.
‘Het is vast niks,’ mompelt hij.
‘Wát is vast niks?’ houdt zijn vrouw vol. En daarna achterdochtig: ‘Je bent toch niet alweer je sleutels kwijtgeraakt?’

De volgende ochtend neemt de man de trein naar zijn werk op de campus. Hij probeert zichzelf voor te houden dat hij zich niet meer herinnert waar het gillen precies was, maar hij weet het exact. In een flits zijn ze eraan voorbij en een minuut later rijden ze het station binnen.
9.03 uur.
Mensen stromen naar buiten. De desillusies van een voorbijgegaan weekend in hun rugzak, de maandag sadistisch grijnzend op hun schouders.

Een stuk uit het theater genaamd:
’De familie Popping – van Delden en hun geocache-avonturen’

Tijd en plaats:
Zondagavond, 20.00 u., in de bosjes naast het onverharde pad tussen de universiteitscampus en ons dorp Garching.

Met in de hoofdrol:
Dakota –  Zeer teleurgestelde peuter. Zet het op een krijsen als ze zich realiseert dat er geen geocaches meer op het programma staan en we zo terug naar huis moeten gaan.

Anke en Gergö – Ouders van Dakota. Proberen zich samen met de peuter een weg door de heftige emoties (en de bosjes) te slaan, op weg terug naar het geciviliseerde deel van haar brein en de wereld.

Anoniem – Een argeloze voorbijganger op een fiets. Heeft waarschijnlijk een levenslang trauma opgelopen door de door merg en been gaande kreten die Dakota in het aardedonker vanuit de bosjes produceerde exact op het moment dat hij/zij langsreed.

Sorry, fietser.






Doei doei.

We zijn met zn drieen. Gergö, mn schoonmoeder en ik. 

We rommelen nog wat dom door onze tasjes en kijken of we genoeg zakdoekjes bij ons hebben.
Hoeveel zakdoekjes heb je nodig voor de crematie van je schoonvader?

We stappen in de auto, helemaal deftig in onze kerstkleding, net als mijn schoonvader, en ik vraag me af of er ook buren stiekem vanachter hun vitrage naar ons kijken. Vandaag zijn wij ‘die mensen’.

Ik heb geen idee hoe alles zou verlopen, maar één ding weet ik zeker:
Mijn eerste ervaring met het bekijken van een overledene toen ik een jaar of tien was, was ook gelijk de laatste. Ik ga sowieso niet bij mijn schoonvader kijken.
Nou goed, soms lopen dingen gewoon anders dan je verwacht en net als dat Gergö niet had gedacht dat hij het zo fijn en goed zou vinden om het lichaam van zijn vader te verzorgen, aan te kleden en in de kist te leggen, had ik niet verwacht dat ik ineens met Gergö naast de open kist zou staan om afscheid te nemen.

Ik sta er, en verrek… ik vind het mooi. Ik vind het zelfs super fascinerend.
Eigenlijk vind ik het zó fascinerend, dat ik ervan schrik en me afvraag wat er mis met me is dat ik het zo boeiend vind om op deze manier een dood lichaam te bekijken. Een omhulsel dat zijn ziel heeft losgelaten.

Een paar woorden naar elkaar en naar mijn schoonvader later zitten we weer in de aula met een kopje koffie en een ‘koekje-waar-niemand-zin-in-heeft’.
De medewerkers van het centrum halen het horloge en de trouwring van mn schoonvaders hand en brengen het ons in een zakje.
Dan is het tijd om de kist te gaan sluiten, we lopen een laatste keer door de gang.
Ik zal foto’s maken met mijn mobiel. Niet teveel, niet te opvallend, maar toch zorgen voor een paar dierbare herinneringen. Toch wel een beetje anders dan een paar gezellige kerstplaatjes schieten…

Gergö en zijn moeder helpen met het sluiten van de kist, onder begeleiding van de medewerkers van het rouwcentrum.
Wat zijn die mensen een helden! Ik ben zo aangegrepen door hoe fantastisch zij hun werk doen en door het hele mysterieuze, ongrijpbare en fascinerende van alles wat daar in het gebouw gebeurt, dat ik me acuut voorneem om een opleiding tot uitvaartondernemer te gaan doen, want wat kun je daar een groot verschil maken.
Zo is bijvoorbeeld het sluiten van de kist en het laatste afscheid verschrikkelijk emotioneel, maar op de een of andere manier helpt het heel erg dat er een paar mensen bij zijn die wel meeleven maar zelf niet wanhopig zijn en heel rustig uitleggen waar je welk pinnetje in moet draaien, alsof je een soort Ikea kastje in elkaar zet. 

‘Moet ik jou ook op de foto zetten?’ klinkt het naast mij. Ik schud nee.

Hendrikus (‘onze’ uitvaartondernemer) wijst me aan waar ik het beste in de gang kan staan om nog een foto te maken als Gergö en zn moeder de kist richting de auto rollen. Ik zeg iets doms als ‘het laatste ‘loopje’ en ‘het laatste ritje’.
De kist wordt in de auto geschoven; iemand houdt op straat het verkeer tegen als we het terrein verlaten.
Helaas staat er niet even iemand op het laatste stukje van de route naar het crematorium om die twee studenten die blikjes energiedrank aan voorbij fietsende mensen uitdelen een seintje te geven. De wereld draait door.

Bij binnenkomst moeten we weer even wachten. Er wordt mij een derde kopje koffie in een uur tijd aangeboden. Ik sla het niet af.

Terwijl Gergö en zn moeder even kijken of alles naar wens is ingericht in ons zaaltje, peins ik nog wat over mijn nieuwe carriere-ambitie en de fantastische hulp die we krijgen. Door het gordijntje zie ik de pastor aankomen. Ik stap het gangetje in, houd de deur voor hem open en heet hem alvast welkom.
‘Ah, u bent de begrafenisondernemer?’ vraagt hij vriendelijk. 

De plechtigheid begint, en het is mooi. Gergös speech is zó knap geschreven, zo sterk, eerlijk en krachtig, en steeds komt de ‘doei doei’ terug, de groet die mijn schoonvader altijd gebruikte als je binnen kwam lopen (ja, dat heb ik correct opgeschreven).

Voor ik het weet, drie keer vijf minuten klassieke muziek later en wat woorden van de pastor, is het voorbij.

Mijn schoonvader wist niet dat hij voor het laatst de trap af liep. Voor het laatst wakker was geworden in zijn bed, voor het laatst zijn tanden had gepoetst en voor het laatst de deur achter zich had gesloten om in de taxi naar het ziekenhuis te rijden.
En nu glijdt hij daar over een railsje achteruit de ruimte uit en onttrekken twee zeer mechanisch klinkende gordijnen hem aan ons zicht.

Doei doei, dat was het dan.

Omdat wij de enige aanwezigen zijn (op wens van mijn schoonvader), staan we zo weer in de wachtruimte. We bespreken de laatste dingen met Hendrikus en voor ik het weet zit ik in de auto, met een bloempot tussen mn knieën, één bloemstuk in mijn nek op de hoedenkap en nog een naast mij.
Als we wegrijden zwaai ik naar de twee medewerkers die ons vanuit de deur groeten. Het was veel, maar bovenal een mooi afscheid.

De opleiding tot begrafenisondernemer duurt overigens zo’n drie jaar. 

De tweede ‘eerste date’

’Nu? Op zaterdagavond?’ zegt de ober.
Hij fronst. ‘ZONDER een reservering?’ 

We knikken een beetje sullig en negeren het duidelijk overvolle restaurant waar op iedere nog vrije tafel een ‘gereserveerd’ bordje prijkt. 
Zal ik even zeggen dat het onze eerste echte date is sinds Dakota er is?

’Kom maar mee,’ zegt de ober. ‘Ik heb hiernaast nog wel plek. Daar zit nu nog niemand, maar dat komt straks wel.’ 
Voordat wij elkaar aan kunnen kijken loopt hij voor ons uit een trappetje op en de gang door, wij volgen braaf. 

Hij zwaait de deur naar de ontbijtzaal open: een grote, lege, stille ruimte. 
Zelfs de tafeltjes, alvast gedekt voor morgenochtend, lijken ons chagrijnig aan te kijken dat we hun rust komen verstoren. 
We kiezen een plekje bij het raam, krijgen een menukaart aangereikt, en dan zijn we alleen.
Onmiddellijk doorbreekt ons lachen de stilte. Daar zitten we dan, met zn tweeën in een helemaal lege zaal waar je een speld kunt horen vallen. Geen muziek, geen gezelligheid, niks. Super romantisch!

‘Leuke boekenkast, hé?’
‘Ja, en er hangen ook gordijntjes voor de ramen.’ 
‘En heb je gezien dat er daarachter óók een deur zit?’

Geforceerd proberen we de drukkende stilte te negeren en een gesprek op gang te brengen.
‘Kunnen we dit überhaupt nog?’ vraagt Gergö zich hardop af.
Ik tuur naar de menukaart: ‘Als ze maar wel friet hebben, daar heb ik zó’n vreselijke zin in,’ mompel ik.

De doodse stilte wordt al snel doorbroken. 
Eerst door een jongen die precies aan de buitenkant van ons raam in gestaag tempo nonstop een voetbal tegen de muur trapt. Kort daarop door een gezin van ouders met een klein kind die in dezelfde val als wij zijn getrapt en enigszins perplex binnen komen lopen.
Zou het dan toch nog gezellig worden? 

‘Als je dit niet doet, krijg je geen patat,’ klinkt het een minuut later.
‘Ach kijk, wat leuk, ze hebben de kerstboom nog buiten staan,’ zeg ik tegen Gergö.
‘Als je zo stom doet pak ik dit van je af,’ weerkaatst het vanaf de andere kant van de ruimte. En een minuut later:
‘Ja doei, je hebt zelf gezegd dat je het niet wou dus nu krijg je ook niks meer, dat is je eigen schuld hoor. Doe even niet zo irritant de hele tijd.’ 

Gelukkig zet de ober een muziekje aan. Eerst veel te hard, maar na een korte check in de zaal doet hij het weer zachter.
Jammer.

‘Mag ik mijn gerecht met patat in plaats van aardappels?’ vraag ik als onze bestelling wordt opgenomen. Ik gluur even opzij naar het gezin, maar blijkbaar ben ik braaf en mag ik wel patat want er komt geen sneer.  
Ongeveer dertig minuten later volgt het eten. Zonder patat, en met gebakken aardappels. 
‘Ik heb eigenlijk patat besteld,’ zeg ik tegen de (overigens weer andere) jongeman. 
‘Oh, natuurlijk! Ik regel het meteen voor u!’  
Vijftien minuten later loopt er iemand langs. ‘Smaakt het?’
‘Ja lekker, en ik wacht nog op mijn patatjes’ antwoord ik vriendelijk.
Hij schrikt. ‘Oh, oké! Ik zal even kijken.’ 

We besluiten dat ons toetje een wandeling in de buitenlucht wordt. En met het bewegen van onze spieren komen ook de gesprekken los. We voeden onze mentaal met verbinding en samenzijn, terwijl de wind om onze oren suist. 
‘De volgende keer gaan we gewoon naar de snackbar, en daarna gelijk wandelen,’ zeggen we bijna tegelijk. 

’s Avonds snuffel ik dankbaar aan Dakota’s pluizige blonde koppie terwijl ze naast mij in slaap valt. Ik denk terug aan de trits van dreigementen die ik eerder hoorde. Op zulke moment ben ik het meest dankbaar voor de weg die wij gevonden hebben.
Ik wacht overigens nog steeds op de patat.

Dood.

‘Weet jij ook wat dood is?’ vroeg ik Dakota toen we op nieuwjaarsochtend wakker werden. 
Wat klonken die woorden idioot. Zo banaal.
Hoezo kwam dit zo dom uit mijn mond?

’Nouuuuu … nee!’ riep Dakota blij. 
De avond ervoor, terwijl de ramen in de kozijnen trilden en een rood roze vuurwerkgloed onze kamer verlichtte, lag ik te googlen hoe je een peuter een sterfgeval uitlegt. Haar opa, mijn schoonvader, lag op sterven, en het was duidelijk dat het niet lang meer zou duren. 

Gergö was op oudejaarsdag rond de middag halsoverkop met de Watertaxi naar de wal gebracht, op aanraden van de artsen op de IC die zeiden dat het verstandig was om nu te komen. Een schone onderbroek en shirt mee en dat was het. Ik gaf hem nog een kus, ik riep ‘succes!’ of zoiets doms, en keek hem na terwijl hij op zn fiets de straat uit richting de steiger racete.  Nog niet wetende wat ons boven het hoofd hing, maar ergens ook weer wel. 

‘Leg het uit aan de hand van kleine voor beelden die zich voordoen,’  stond er bij de tips op de website.
Luide knallen dreunden onophoudelijk. Dakota lag tegen me aan gefrummeld en sliep gewoon verder.  
‘Een vliegje dat dood in de vensterbank ligt en nooit meer zal vliegen, een platgereden konijntje op het fietspad (oké, die laatste verzin ik nu zelf). 
Ik dacht terug aan de zomer, toen Dakota luidkeels ‘Dood! Dood! Dood!’ roepend op het bed had gesprongen, terwijl wij zwaaiend met een theedoek op een paar hardnekkige muggen joegen. Ik kon me er weinig bij voorstellen dat ze onder de indruk zou zijn van een vliegje in de vensterbank. 

Ik zocht naar boekjes, of filmpjes, die geschikt zouden zijn en was verbaasd en vooral geërgerd over de legio’s peuter- en kleuterboeken die over de dood praten in termen van ‘ging slapen en werd nooit weer wakker’,’ging naar het ziekenhuis en is nooit meer thuisgekomen’, en meer van dat soort associaties die ik echt heel erg fout vind, maar toen was daar Kikker! 
“Kikker en het vogeltje”, welteverstaan, en dat is een prachtig boekje/filmpje waarin het echt perfect wordt uitgelegd. Eigenlijk zou ik iedereen willen aanraden het filmpje, dat maar een paar minuten duurt, op Youtube even te kijken. 

Goed, we keken dus dat filmpje. Mijn nieuwjaarsrolletje bleef best wel een beetje in mijn keel haken tijdens het kijken, maar Dakota voelde logischerwijs totaal geen emotionele lading en staarde een beetje nietszeggend naar het scherm. Toen ik haar daarna vroeg wat er in het filmpje was gebeurd, zei ze heel blij:
‘Ze gingen tikkertje spelen!’ (dat doen ze aan het einde)
Grappig genoeg vroeg ze een tijdje later echter of ze het nog een keer mocht zien. En de volgende dag weer. En weer. En eens per dag kwam het wel even ter sprake. Dan vertelde Dakota mij terwijl we door het dorp fietsten luidkeels dat papa bij oma Groningen was, en dat opa Groningen is ‘ommeleden’. ‘Dan ben je dood!’ zei ze er bij. ‘Gaan we nu naar de speeltuin?’ 

Peuters hebben nog geen gevoel of begrip bij woorden als ‘nooit meer’ of ‘voor altijd’, maar toch zei ik er, als we over de dood spraken, altijd bij: ‘Dat betekent dat je iemand niet/nooit meer kunt zien.’ 
Toen we na een week eindelijk Gergö weer in onze armen mochten sluiten en we samen teruggingen naar het huis van mijn schoonouders voor de crematie heeft ze grappig genoeg niet een keer gevraagd waar opa nou was. Ze legde nog af en toe uit dat hij is ‘ommeleden’ en we bespraken dingen als ze ernaar vroeg of het gewoon even aan de orde kwam. Zo kwam bijvoorbeeld opa’s tandenborstel ter sprake, en legde ik haar uit dat het fijn is om de spullen van iemand die overleden is nog een beetje bij je te houden, en dat je niet alles gelijk gaat opruimen. 

Lijkt alsof ze het allemaal best wel mee heeft gekregen, hé?
Dakota, 3 weken later:

‘Opa is vandaag even dood. En oma is dan even alleen.’

Dakota: ‘Dit is voor opa en oma Groningen.’  
Gergö: Weet je nog wat er met opa Groningen is gebeurd?’
Dakota: ‘Die was ommeleden!’
Gergö: ‘Kunnen we hem dan nog zien?’
Dakota: ‘Ja! Nog heeeeeel vaak!’

I rest my case.