Brownie

Jongens, ik beloof dat dit niet in een dierenblog gaat veranderen. Eigenlijk had ik al een stuk bijna af (viva la vaatvlies), maar die bewaar ik toch voor de volgende keer. Want kijk, dit is Brownie. En Brownie geeft NUL om wat ik wil.

‘Kom op, Brownie!’ riep ik enthousiast toen we op pad gingen, en ik klakte met m’n tong. Brownie hobbelde een paar meter gedwee mee, maar begon toen ineens hard te trekken. ‘Ho…’ mompelde ik. De onzekerheid spatte er blijkbaar vanaf, want terwijl ik nog probeerde om Brownie met zachte dwang op het pad te houden, wierp hij mij met een sierlijke beweging als een veertje over zijn nek om de berm in te duiken. 
‘Geeft niks, ik moet hem gewoon laten zien wie de baas is’, legde ik enthousiast uit, terwijl ik wat distels uit m’n broek plukte. De peuter keek me onbegrijpelijk aan. Dat krijg je ervan als ze volgens de principes van het natuurlijk- en onvoorwaardelijk ouderschap opgroeien. 

Na tien minuten was één ding duidelijk: er was maar één baas en dat was Brownie. Ik leek wel de baas, tot Brownie bedacht dat hij iets wilde. 
We waren inmiddels ongeveer tweehonderd meter en vele happen gras en malse blaadjes verder. Een vrachtwagen reed langs en ik deed heel nonchalant alsof het de bedoeling was dat ik daar half in de sloot tussen de brandnetels met een grazende pony stond. 

Dapper probeerden we de ronde af te maken. Iedere keer als ik naar links wilde, duwde Brownie me naar rechts. En zei ik kordaat: ‘Nu lopen we even door!’ dan stond Brownie stokstijf stil voor een volgende hap. Het werd duidelijk dat Brownie alleen wilde lopen tijdens het kauwen, maar zodra het gras was doorgeslikt moest de voorraad worden aangevuld en ik was met mijn 55 kilo nog minder partij dan een strontvlieg. 

Je zou denken dat ik met een peuter wiens levensmotto ‘je kunt beter bij iedere stoeptegel stil staan, want straks mis je iets belangrijks’ is ik dit wel goed kan handelen, maar ik vond het knap lastig. Een zacht zetje in de goede richting is best moeilijk als het object van het zetje sterk genoeg is om twintig versies van jou in een bolderkar achter zich aan te trekken. En samen overleggen was er ook niet echt bij. 
Vooral het iedere paar meter opnieuw moeten vechten, beviel me totaal niet en ineens wist ik weer waarom ik zo’n enorme fan ben van níet de baas willen zijn. Van een positieve ja-omgeving. Van overleggen. Van vrijheid. Autonomie bevorderen. Wederzijds respect voor elkaars mening en wil. Samen mens zijn. Kinderen als mens zien. Kinderen zíen.

Voor Brownie is het waarschijnlijk te laat. Ik geloof niet dat Kiind Magazine binnenkort in het ‘Paards’ vertaald wordt. Dus tja, bij dezen trek ik de conclusie dat wij als ‘natuurlijk ouderschap’ ouders totaal ongeschikt zijn om ponyritjes te begeleiden. Maar gelukkig doen onze kinderen het best wel leuk. 

Aan hanen doen wij niet.

‘De buurt heeft wel de afspraak,’ werd er vooraf al gezegd. ‘Dat we hier geen hanen houden.’ 

Mijn ouders zouden kippen krijgen. Ooit zei mijn moeder: ‘Wij doen niet aan huisdieren,’ maar na  hamsters, konijnen, cavia’s, ratten, wandelende takken en vissen, en nu met een poes, een hond, én een vogel konden die kippen er ook nog wel bij. Het hok was al gebouwd en het wachten was nu op de intrek van deze vijf nieuwe gezinsleden. 
Kippen, want aan hanen deed de buurt niet. 

Maar ja: er zat toch een haan tussen. En hij was zó mooi. En in het begin kraaien ze ook niet. En bijna alle buren zijn in de negentig en doof. En dus mocht hij blijven: haan Donald. (niet het stripfiguur) De kippen werden Betsie, Essie, Kim (Y.U.) en Barack (O) gedoopt. 

Mijn vader timmerde een luik voor het raam zodat het goed donker zou zijn, in de hoop dat de dieren zouden uitslapen, maar net als kleine kinderen liet de familie kip zich niet foppen door wat halfslachtige verduistering:
‘Krrrrrrr…. Kuuuuu’ 
Het was vijf uur ’s ochtends en mijn ouders keken elkaar aan. Uur U; Donald was begonnen met kraaien. Hij werd steeds dapperder, kraaitje hier, kraaitje daar, tot na een paar dagen een helder en trots ‘kuuuuukelekutuuuuuuu’ de ochtendstilte uiteen reet. 

‘Wanneer laat je die haan nou doodmaken?’ klaagde een buurvrouw subtiel. ‘Zelfs (naam van buurvrouw drie huizen verderop) heeft last van dat beest!’ 
Gek genoeg hoorden wij, toch zeker dertig meter dichterbij aan de zijkant van mijn ouders huis, niet zoveel van de haan, maar mijn ouders die boven sliepen wel. Zij wilden geen kwaad bloed zetten en dus kwam er na een zoveelste ‘Marius met die rothaan’ tijdens het boodschappen doen dan toch de dag dat haan Donald zou worden opgehaald. 

Wij waren boos, want dieren maak je niet moedwillig dood. Nou oké, behalve muggen dan. Je begrijpt dus wel dat we heel blij waren toen hanenredder-Daan-van-verderop met de boodschap kwam dat hij voor onze Donald een plekje op een boerderij had gevonden.  
Hij kwam hem zelf ophalen. De dames werden even opgesloten in het nachtverblijf en Daan kroop in het kippenhok om Donald bij de poten te grijpen. Hup, zo in een doos en dat was het dan. Nog geen twee minuten later werd Donald in de kofferbak van de auto geschoven. Iets zwaars erop zodat hij niet zou ontsnappen en klaar was Daan. 

En zo bleven mijn ouders, nadat hun vier kinderen al een tijdje waren uitgevlogen, achter met vier kippen: Betsie, Essie, Barack en Kim.  Al snel waren dat er nog maar drie, want ironisch genoeg (vanuit de naam gezien) lag Kim op een dag ineens dood in het hok.

Later vernamen we overigens dat Donald bij aankomst op de boerderij direct de kippen bevloog.

De kniekous.

Ik zie het meteen als ik binnenloop: ik ben de enige klant.

‘Verstop je!’ sist een stem in mijn hoofd. Ik maneuvreer mezelf snel schuin achter een schap en plan een exit-strategie, maar de winkel is klein.
‘Kan ik je helpen?’ klinkt het achter mij. De toon van de verkoopster klinkt blij. Té blij. Die heeft beslist al ruim een uur geen klant meer gehad.
‘Uhh,’ begin ik dapper. De zin moet eindigen in ‘nee hoor, ik kijk alleen even,’ maar in plaats daarvan floept uit mijn mond: ‘Ja, ik zoek een maillot.’ 
‘Welke maat?’ kaatst ze razendsnel terug. 
’92/98’
De verkoopster bukt voorover en graait wat in een rek. ‘Oei,’ hoor ik. ‘Is dit ook goed?’
Ze komt overeind en houdt een gitzwarte maillot omhoog. ‘Maatje 128. Waarschijnlijk iets te groot dan, he?’ vult ze alvast voor mij in. 
Ik knik. ‘Ja, dat denk ik ook.’ 
‘Ik heb wel dit in de goede maat,’ zegt ze en ze houdt een stel kniekousen in de lucht. Ik weet niet wie me smekender aankijken, haar ogen of de kousen. 
‘Uhm, ja, oké,’ zeg ik veel te vriendelijk. Ineens heb ik de kniekousen vast.
‘Ik kijk nog even,’ doe ik een dappere poging om eronderuit te komen, en kijkt een beetje onnozel om me heen. 
De verkoopster knikt, overbrugt de paar meter naar de balie, gaat achter de kassa staan en staart de winkel in. 
Ik gluur lonkend naar buiten, regen stroomt in enorme stralen naar beneden. Er is welgeteld precies één hond op straat (inclusief baasje in knalgele poncho) en hij lijkt niet van plan te zijn mij te komen redden door met een boodschap de verkoopster af te leiden. 

Ik adem een beetje in en uit, ik ga razendsnel alle hoekjes van mijn brein bij langs om te kijken of er ergens nog wat moed verstopt zit om de winkel gewoon te verlaten. Zonder aankoop, want ik heb dit gewoon niet nodig.
Langzaam loop ik een rondje en laat mijn hand langs wat producten glijden. Ik bestudeer geïnteresseerd het prijskaartje van een trui in maat 152 die Dakota over een jaar of vijf misschien wel past en probeer mijzelf wijs te maken dat ik dapper genoeg ben om met een kordaat ‘tot ziens’ de winkel te verlaten.  Nog een keer kijk ik naar de verkoopster. Ze kijkt echt best wel zielig. Of verbeeld ik mij dat?

‘Dat was het?’ 
Twee minuten later sta ik bij de kassa. Met de kniekousen en  per ongeluk ook nog met een stel glitter haarclipjes. 
‘Ja,’ zeg ik. Ik probeer alsnog heel kordaat te klinken, gewoon voor de vorm. 
Met de kniekousen en clipjes in mijn rugzak pak ik mijn enorme stormparaplu uit de bak bij de deur en loop naar mijn fiets om de regen weer te trotseren. 
‘De volgende keer zeg ik nee,’ zeg ik tegen mijzelf. ‘En dat je ook nog een reep chocola hebt gekocht, vertel je aan niemand.’ 

Politie.

‘Ik maak niks meer mee,’ zucht ik. 
De zon schijnt en we zitten in ons tuintje. We wriemelen onze blote tenen in het gras, terwijl Dakota een zelfbedacht verdwaalspel in de bosjes speelt. 
Gergö slurpt van zn koffie en kijkt me achterdochtig aan. 
‘Ja maar echt,’ benadruk ik, nog voor hij iets kan zeggen. ‘Hoe kan ik ergens over schrijven als ik niet bij mensen in de buurt mag komen? De enige mensen die bij andere mensen in de buurt mogen komen zijn politieagenten.’ 
Ik val even stil. 
‘Oh nee hé,’ waarschuwt Gergö, alsof hij mijn gedachten leest. ‘Als je het maar laat.’ 

We zijn met de auto op weg naar een afgelegen bos om te wandelen. In een klein dorpje waar het zo stil is dat het nu bijna een spookdorp lijkt, rijdt ons een politieauto voorbij. 
Ik rem een beetje af en kijk verlangend (of is het uitdagend?) uit het raam. 
Natuurlijk wil ik niet worden aangehouden omdat ik iets strafbaars doe, ik wil gewoon een gesprekje. Iets meemaken, zoals ons vroeger af en toe overkwam. Een schijnwerper en een vraag als ‘Wat doet u daar in die sloot?!’
Onze aanvaringen met de politie waren altijd aan het geocachen gerelateerd en daarbij kruip je nog wel eens bij nacht en ontij door sloten, of tunnels, of in ons geval ook grotten. Bij alle voorvallen was er sprake van een misverstand en vonden ze ons vooral heel raar.
Het toppunt was in Salt Lake City waar de SLPD ons op de verkeerscamera’s had gespot terwijl we ons ‘verdacht gedroegen bij een stoplicht’ en de beveiliging van de Mormoonse tempel, grote kerels in zwart pak met zonnebril en oortjes. ons letterlijk omsingelde. Een van hen bleek het spel te kennen en heeft nog even mee gekeken, de cache hebben we helaas niet gevonden en ook deze politieauto in het dorpje gunt ons geen blik waardig. ‘Anke…’ klinkt het naast mij. 
‘Ja, ja, maak je niet druk,’ bemoedig ik manlief haastig.  

Een paar dagen later is het ineens zover: op de weg naar een andere wandeling rijden we recht in een politiefuik. 
‘Pak de paspoorten!’ sis ik naar Gergö. Dit is mijn moment. Go-time. 
Ik rem in mijn enthousiasme veel te hard af en stop dus veel te vroeg, op zo’n 20 meter van de agent. Hij kijkt me bevreemd aan en wenkt dat ik tot hem moet doorrijden. Ik doe eerst het verkeerde raam open. Eigenlijk wil ik gelijk uit de auto springen en op de straat gaan liggen met mn handen op mn hoofd, maar dat is misschien wat overdreven. 
De agent werpt een korte blik in onze auto. Van de achterbank schalt de begintune van een nieuwe aflevering van Nijntje. Super badass. 
‘Hallo, joe, is goed. U mag verder rijden,’ lacht hij allervriendelijkst. 
Ik blijf staan, met het raam open. 
‘We kijken alleen of er niet teveel mensen in de auto zitten, u mag doorrijden,’ herhaalt de agent nog een keer met weer een brede glimlach. 
‘Weet u het zeker? Wilt u onze paspoorten niet even zien?’ vraag ik bijna smekend. 
‘Nee, dat hoeft niet. Fijne dag nog!’ 
De agent loopt naar zijn collega’s. Ik sta nog twee seconden stil en doe dan teleurgesteld het raampje weer dicht. En als er zoiets bestond als teleurgesteld optrekken, dan deed ik het op dat moment. 

Op deze manier zal het hier op mn blog voorlopig nog niet snel weer heel druk worden met verhalen. 

Namas-née

Ik duw mijn handen tegen elkaar voor mijn borst en buig statig voorover.
‘Naaaaa-maaaaa-stéééé’ zeg ik Jamie braaf na.
Jamie is de leidster van onze online kinderyoga.
Dit deden we voorheen niet, toen zongen en dansten we gewoon met onze Tonie box, maar op het moment ben je toch niet helemaal ‘Corona 2020’ als je niet minstens één van de honderden gratis cursussen die er ineens online staan volgt.
’Vandaag maken we een tent, want we gaan in de jungle kamperen!’ roept Jaime super enthousiast. Ze is zo blij dat ik het bijna eng vind, maar goed: mn kind en ik doen samen yoga. Wat een mooi moment. Pluk de dag.
Ik buig voorover om een kampvuur uit te beelden en voel hoe Dakota zich in mijn haar vastklampt en bij mijn rug omhoog klimt. Ze slaat haar benen om mijn nek, laat zich op de grond vallen en tettert in mijn oor: ‘Nog een keer!’ 


Voor ons is “thuis” zijn normaal. Niet op deze manier, zonder sociale contacten en activiteiten buiten de deur, maar toch: ons thuis vermaken en werken daarbij combineren is voor ons business as usual.
Ons huis en leven is zo ingericht zodat Dakota zichzelf kan redden en vrij kan spelen, en dat werkt.
Tot dus die quarantaine begon.
Ineens lees ik van de meest uiteenlopende types mensen die voor het eerst in hun leven ervaren hoe het is om zolang met je kind(eren) thuis te zijn berichten over persoonlijke groei en vliegen de gratis cursussen me om de oren.

Vanaf acht uur ’s ochtends begint het binnen te stromen:
Om 15.00 u wordt er voorgelezen, om 16.00 u moeten we allemaal buiten op ons instrument spelen en om 18.30 u volgt een live concert van het Wiener Philharmoniker.
Ondertussen deel je om het uur nieuwe knutselwerkjes met je volgers, eet je kind bijzondere zelfgemaakte snacks met ingrediënten die je voor de Corona tijd niet eens kende en luister je intelligente podcasts met het laatste wetenschappelijke virusnieuws. Daarbij moet je er wel leuk gekleed bijlopen, want dat helpt voor je werk-vibe en je positiviteit. Schroom niet die lipstick op je gezicht te smeren, ook als je de hele dag thuis zit. 

Ik wordt al kortademig als ik opschrijf waar ik ineens allemaal aan deel kan nemen.
Super tof hoor, maar ik wil helemaal niet de hele dag op een loopband voor mn laptop rennen met  bemoedigende Corona muziek en een zelfgebreide zweetband. Ik wil op het terras van onze ijssalon een ijscoupe met aardbeien eten en glimlachen om de karakteristieke oudere bewoners van ons dorp.
Maar ik ben er dus wel mega gevoelig voor en ik krijg zoveel berichten van mensen die ineens de meest fantastische tijd van hun leven beleven, dat ik het gevoel krijg dat er iets mis met me is. Een heleboel ietsen.

Want waar de rest van de wereld op dit moment schijnbaar de hele dag als gezin in de tuin tussen de madeliefjes zit te mediteren en hun kinderen tijdens hun homeoffice zingend twee uur achter elkaar spelen zonder één vraag te stellen, sta ik in de badkamer om het eerste huishoudelijk klusje in drie dagen te doen met naast mij een boze peuter. Doet Gergö een telecon met zn gezicht onder de dino tattoes en plast Dakota over zijn blote voeten tijdens datzelfde gesprek

Ik probeer het echt wel hoor, al die nieuwe dingen. Ik knutsel, ik yoga, ja: ik. Want mijn peuter zit er gewoon gezellig naast en kijkt hoe ik een luchtballon uitknip en in elkaar plak. Als ze me nou nog een kopje koffie bracht ofzo, hé…
Waar gaat dit nou mis? Eigenlijk voel ik me meer een soort heks die elke dag een gigantische huilbui heeft en vindt dat ze die niet mag hebben, omdat ieder ander het zoveel erger heeft en ik het helemaal niet erg mag vinden.
En kijk, ik leer ook echt wel wat, bijvoorbeeld dat ik het overleef als ik een dag geen avonturen beleef en thuis zit, maar mijn overlevingsstrategie voor deze nieuwe emoties is dat ik het gewoon even poep wil vinden. Ja het is voor de een meer poep dan voor de ander, maar poep is poep.

Op dit moment moeten we maar gewoon extra lief voor elkaar zijn. Ieder hersenpannetje probeert op dit moment zn eigen stoofpotje van de Corona te brouwen en ontploft in een zwarte wolk bij de toevoeging van een verkeerd ingredient.
Waar voor de een de ‘tel je zegeningen’ challenge niet snel genoeg in het leven kan worden geroepen, sluit de ander zich aan bij een ‘waarom zou ik mn benen nog scheren, het leven heeft zo toch geen zin meer’ challenge.
Overlevingsmechanismen als ‘je moet dankbaar zijn’ en ‘ik wil het gewoon even shit vinden’ botsen als aardplaten die niet weten of ze nou onder of over elkaar heen moeten schuiven.

Misschien moet ik maar beginnen met iets aardiger voor mijzelf te zijn.
Gewoon doen wat we altijd doen, me niet laten opjagen door buitenaf.
Samen werken, Pluk lezen, Geocachen, en gewoon dom met verf kliederen zonder allerlei opdrachten en challenges.

En de volgende keer als Jamie me een opdracht geeft zeg ik volmondig Namas-née.

PS:
Ik heb zojuist buiten wel stiekem een madeliefjeskrans gemaakt. In de zon. En ervan genoten.



Suspense

‘U kunt kiezen uit ossenstaartsoep of de saladebar.’
We hebben de ober nét uitgelegd dat we graag vegetarisch willen eten.
‘Nou, de saladebar dan maar hé,’ frons ik. ‘En als hoofdgerechten de käsespätzeln en de linguine met pesto.’

Het is echt bloed- en bloedheet in het Duitse eetcafé en waar wij volwassenen de schijn hoog houden dat het wel meevalt, zit Dakota binnen een minuut in haar hemd en met blote voeten.
‘Oh nee, kijk…’
Gergö stoot mij aan en wijst naar het tafeltje direct naast ons.
Een citer en een plastic spaarvarken: dat kan maar één ding betekenen…
Nu zijn er een boel scenario’s mogelijk als er iemand tijdens onze maaltijd muziek gaat zitten maken, maar in geen van die scenario’s piesen Gergö en ik niet in onze broek van het lachen.
Ik heb het in mijn leven twee keer meegemaakt en ik krijg er ZO de kriebels van dat je met een stalen gezicht je aardappels naar binnen moet schuiven terwijl er iemand met een viool in je gezicht ‘tulpen uit Amsterdam’ staat te jengelen.
Nu lijkt deze muzieksituatie redelijk im-mobiel want met een citer ga je niet van tafel naar tafel (toch? please?) maar toch, hé, het concert is zometeen op een meter afstand van mij en mijn kaasnoedels.

We halen salade en kort daarna ontdekken we de muzikant, laten we hem Anton noemen.
Anton ziet er Bayerisch deftig uit: groot postuur, een grijze wollen spencer en een hoedje met een veer.
Hij loopt het etablisement op en neer, van voor naar achteren, neemt de mensen in zich op en kijkt constant op zijn klokje, dat aan een kettinkje aan zijn kleding hangt. Zijn blikken zijn dermate serieus dat we, ondanks onze aversie voor tafel-muziek, bijna net zo nieuwsgierig worden naar zijn optreden als naar de ontknoping van een spannende moordfilm.

Met een beetje een ‘het is bijna Sinterklaasavond’ gevoel wachten we op ons eten.
Anton blijft op en neer lopen. De salade is op en Dakota zit inmiddels onder de tafel.
De ober komt terug: ‘U kunt nog een keer van de saladebar pakken,’ meldt hij gebiedend.
Terwijl ik nog wat koude boontjes en wat plastic-achtige mozzarella bolletjes op mn bord schep, gaat Anton achter zn citer zitten.
Hij doet een tijdje niets en kijkt een beetje verloren naar zijn instrument, alsof hij zich bij het uitzendbureau eigenlijk als automonteur had ingeschreven en nu per ongeluk hier citer moet spelen.
Wij weten niet goed of we nu onze adem moeten inhouden of onze billen moeten samenknijpen.
Dan bewegen Antons handen. We kijken gespannen toe, maar in plaats van naar de citer graaien ze naar een stapeltje papieren in zn vest, een soort spiek-kaartjes.
Ik zie geen noten, alleen tekst. ‘Wat zou het zijn?’ fluister ik.
‘Misschien zijn het brieven van zn overleden vrouw,’ oppert Gergö.
Ik peins even over deze zielige optie en heb in mijn hoofd al een half boek geschreven over ‘de zielige automonterende-citerspeler weduwnaar’, als Anton de papieren resoluut aan de kant schuift en zijn hand in zijn tas steekt.
Van alle opties van voorwerpen die tevoorschijn zouden kunnen komen, hadden we een plakband automaat het minste verwacht.
Het ding wordt naast de citer gezet en Anton begint met veel zorg plakbandjes om al zijn vingers te draaien.
Ik prop, gefascineerd starend, gedachteloos het ene na het andere vieze mozarellaballetje in mn mond.

Ons eten arriveert.
Dakota is inmiddels al vier keer klaar met de kleurplaat die ze heeft gekregen en wil graag slapen. Wij beginnen snel aan de pasta en kaasnoedels en kijken bijna smekend naar de man.
Er is nu sprake van zó’n lange (denkbeeldige) tromroffel, dat ik toch wel even wat wil horen voor we vertrekken.
En dan, waarempel, beroert Anton de snaren van het instrument. Weliswaar onhoorbaar, zelfs al zitten we op een meter afstand, en we kunnen er ook geen kaas(noedel) van maken wat voor muziek hij zit te spelen, maar er gebeurt wat! 

‘Ik denk dat hij aan het stemmen is,’ merkt Gergö na twee minuten op. Ik knik. Dat zal wel, inderdaad.
Onze borden raken leger en leger, Anton blijft onhoorbaar onsamenhangende klanken op zn citer tokkelen. De andere gasten lijken er ook geen aandacht aan te schenken.

We besluiten dat het niet zo mocht zijn en staan op om het restaurant te verlaten, en dan gebeurt het:
Precies op het moment dat we Anton’s tafeltje passeren, begint hij ineens echt te spelen.
Luid, duidelijk, en ook nog best leuk.
Hij groet ons met een brede lach en als boeren met kiespijn grijnzen we terug. We blijven staan en er verdwijnt wat geld in het spaarvarken.
‘Dat waren een paar hele dure noten,’ mompelt Gergö als we weglopen.
Ik grijns. ’Drie seconden muziek: twee euro. Een avondje suspense: onbetaalbaar!’

Dan horen we snelle voetstappen naderen…








Scherp

‘Dit restaurant is perfect mam, hier kunt u bijna alles eten!’ roep ik enthousiast als we de Italiaan binnenlopen.

We krijgen de menukaart aangereikt. 
‘De G staat voor melkproducten,’ zeg ik, terwijl mijn ogen alvast langs de lijst gaan. 
G, G, G…
Er blijft één gerecht over.  
Gelukkig is mijn moeder iemand die het direct voor doet komen alsof ze toevallig ook net vreselijk veel zin had in dat ene gerecht. 
‘Oh ja, lekker! Spaghetti aioliemolie, ofzo!’ roept ze opgetogen. 
Ik kijk met opgetrokken wenkbrauwen naar de ingrediënten. Olie, knoflook en pepers. ‘Weet je het zeker, mam?’

Als onze gerechten arriveren begint mijn moeder na één hap te hoesten en zet haar glas rosé aan de lippen. Ik zie bijna de helft van de inhoud naar binnen verdwijnen. ‘Scherp?’ vraag ik. ‘Nee hoor,’ roept ze vrolijk. 
Nu wil Dakota proeven. Mn moeder geeft haar één sliertje waar met zorg een piezeltje af wordt gebeten. 
‘Scherp!’ is het vernietigend oordeel.
Ik probeer zelf ook een hap. De eerste twee seconden denk ik nog dat het wel meevalt, maar daarna voelt het alsof al mijn papillen in een soort hellekoor beginnen te krijsen. 
Ik blus mijn mond met Apfelschorle en gooi onmiddellijk uit medelijden wat van mijn gnocchi op mijn moeders bord.
‘Ja, maar ik vind het echt wel lekker hoor!’ roept mijn moeder. En na nog een hap: ’Zou je hier ook blaren van kunnen krijgen?’ 
‘Schepje kaas op oma’s schèèèrpe pasketti,’ roept Dakota, terwijl ze een grote lepel parmezaanse kaas boven mijn moeders bord leegkiepert. 
Gergö is aan de beurt en lijkt na zijn ontmoeting met de ‘spaghetti aioliemajolie’ andere dimensies te kunnen zien. Hij verkondigt ons zwetend dat het scherp, maar lekker is. 
‘Ja, het is echt wel lekker, hoor,’ herhaalt mijn moeder. Ik gooi nog maar wat gnocchi op haar bord. 
’Hoe kun je überhaupt beoordelen of dit ergens naar proeft?!’ hijgt Nien met uitgestoken tong tussen een paar grote slokken bier door. 

En zo zitten we daar, allemaal met een letterlijke scherpe tong. Maar als het bord, nog halfvol, wordt opgehaald, zeggen we niets. Er was immers niets mis mee? Het is niet mislukt. Alleen niet geschikt voor aardappel-groente-vegaschijf Hollanders.

Wie wel wat had gezegd, is Jörgen, (gefingeerd) en wat vind ik dit een prachtige gelegenheid om hem aan jullie voor te stellen. Want zit mijn moeder aan de harmonieuze kant van het spectrum, dan vind je Jörgen helemaal aan het andere uiterste. 
Jörgen had het gerecht niet alleen teruggestuurd, maar deels als bewijsstuk voor in de rechtbank in z’n tas gestopt. 
Had ik het net over een letterlijke scherpe tong, deze man is de meest karakteristieke figuurlijke scherpe tong die ik ken.

Jörgen zit met ruim 90 jaar niet achter de geraniums, maar op een boomstronk in het bos een borrel te drinken. In zijn zelfgemaakte fietskar een bijl en stukken touw. 
Jörgen is voorvechter en protesteerder eerste klas.   
Van konijn tot trapgevel: hij voert er actie voor; inclusief formulier dat je, altijd onder vermelding van je beroep (why?), moet ondertekenen. Liefst met betaling van 5 euro voor de (onduidelijke) onkosten.
Waar mijn moeder vele plannen toejuicht, is voor Jörgen geen plan veilig. Zijn speeches en stukjes in de dorpskrant zijn berucht.
Fiets je langs het politiebureau, dan zit hij daar aan tafel. 
Fiets je langs Natuurmonumenten, dan zit hij daar aan tafel. 
En als hij niet aan een van de tafels waar ‘het’ geregeld wordt zit, dan loopt hij door het dorp. Zijn rollator fel voor zich uit duwend, alsof het een nukkig dier is dat niet achter
hem aan wilde lopen. Mensen als mijn moeder propt hij gewoon in z’n mandje, zegmaar. Velen irriteren zich aan zijn felle, genadeloze stijl. Ja, we hebben het nog steeds over iemand die in de 90 is.

En dan ineens, fiets ik hem op een dag voorbij en zit hij midden op de stoep op z’n rollator met een grote, pluizige, beige kat op schoot.
Zijn ogen zijn gesloten, zijn hoofd opgeheven naar het magere lentezonnetje. Het tafereel is vredig, bijna heilig, en dus durf ik niet om een foto te vragen, maar deel ik het plaatje hier in woorden.
Ik vind het zo’n prachtige herinnering dat achter iedere scherpe tong, hoe naar en vervelend soms ook, een geschiedenis schuilt. Een kind van een moeder. Een mens. Een slapend mens, op een rollator, met een kat op schoot.

Maar soms ook gewoon zoiets simpels als een te scherpe pasta. 

De naakte waarheid

We rijden naar Nederland.
Ik reik Dakota een wat groot uitgevallen aardbei aan en neem een slok van mijn cappuccino. Als ik mij 5 min later omdraai, lijkt het alsof er op de achterbank iemand is geslacht. Ik graai een vies plakkerig restje uit de bekerhouder, heb een soort ‘is dit nu mijn leven’ momentje.
‘Onze eerste stop in het hotel wordt de halte ‘ontspanning’,’ zucht ik naar Gergö. ‘Ze hebben een sauna, toch?’
Gergö knikt, we hoeven onze gedachten niet uit te spreken.
Want tja, met een kind trek je toch wel een beetje een soort paard van Troje de veilige hekken van je leven binnen. Eentje waaruit allerlei etensresten, stukjes klei en spraak-recorders waar alleen maar nonstop het woord ‘mama’ uitgalmt tevoorschijn komen. 

Dit keer hebben we een bio-hotel geboekt en bij de receptie staat een bordje: inclusief panorama sauna. Hoera!
‘Oeh, we hebben het rijk voor ons alleen,’ constateer ik bij binnenkomst.
Het ziet er allemaal mooi uit, maar er is geen omkleedruimte. Wel vijf kledinghaakjes, recht tegenover de deur naar het restaurant en de receptie. Begrijp me niet verkeerd: ik kies er zelf voor om bloot naar een sauna te gaan, maar dat deel ik met andere mensen die daar met hetzelfde doel bewust voor kiezen. Niet met Henk die aan de andere kant van de deur pasta zit te eten. 
Afijn, ik duik de sauna in. Ontspanning, here I come. Dakota zit een halve minuut op een handdoek op de grond naast mij en gaat dan douchen.
‘Ik neem haar mee naar de kamer, hoor!’ hoor ik Gergö een minuut later roepen.
Prima, ik heb iets leuks te doen: ik moet het panorama nog vinden!

Voor mij is een blinde muur, dus dat kan het niet zijn. Ik speur alles af, tot aan het plafond, maar er is niets te bekennen. Geen echt panorama en ook geen nep-panorama op een foto. Wie wel panorama hebben, zijn de buren. Op mij, in mn blootje. En van het busje dat naast het raam van de sauna staat geparkeerd hoop ik maar dat de mensen niet net nu ik hier zit terugkomen. Er zitten wel wat mat-strepen op het raam naar buiten, maar of die nou net de juiste delen bedenken als iemand naar mij kijkt is natuurlijk maar de vraag. Dat hangt er een beetje vanaf hoe ik zit. 

‘Nou, hup Anke, tempo,’ spreek ik mijzelf toe. Dakota heeft in de auto niet geslapen en staat op instorten, en we willen nog even samen eten. Ik smijt een paar enorme soeplepels water op de stenen, brand een tijdje weg, en koel mij daarna af. Deels in mijn handdoek gewikkeld, deels in wat kleding, loop ik zo nonchalant mogelijk langs de receptie en sluit me aan bij Gergö en Dakota. 

We vinden plekje in de eetruimte van het hotel. Vroeger waren we naar een restaurantje gegaan, maar daar waag ik mij met een oververmoeide peuter niet aan. We gaan voor het pizza-menu. Pizza met een drankje. 
‘Het is gewoon diepvriespizza, hoor’ waarschuwt de receptioniste, die ook serveerster en kok is.  ‘Maar wel een biologische!’ 
Prima, we hebben trek. Kom maar op. 
Dakota eet alle champignons van onze pizza, wij vullen onze magen.
‘Het smaakte eigenlijk echt heel lekker!’ geven we de receptioniste blij ons oordeel als we weglopen.
Als we terug boven zijn valt Dakota als een blok in slaap. Wij verschansen ons bij kaarslicht (haha, grapje, gewoon ons laptopscherm) in de badkamer-met-glazen-deur, blij dat de peuter ‘out’ is en niet van plan op welke wijze dan ook het risico te lopen dat ze weer wakker wordt.
‘Jij ook een lauw wit wijntje?’ grap ik fluisterend naar Gergö. Als snack eten we de crackertjes die eigenlijk voor morgen voor Dakota in de auto zijn bedoeld. We kijken zachtjes wie is de Mol, wat door het vreselijke internet elke drie minuten een tijdje stil staat. Een fantastische les in geduld. Of in het omgaan met agressie en teleurstellingen, zo je wilt. En toch zijn we blij en optimistisch.
‘Hoorde je hoe grappig ze die mevrouw groette?’ zeg ik in de internet pauze tegen Gergö. En: ‘Wat is ze lief, hé?’

Ja, dit is nu ons leven. Soms mis ik mijn vrijheid. En dan ligt mijn kind tien minuten in bed en ik kijk een schattig filmpje van die dag en dan mis ik haar ineens. Jongens, ik heb de winnaar voor de ‘ambivalent prijs 2020’ gevonden: het ouderschap. 

Revolutie

‘Ja, als die duif nou even zélf initiatief zou tonen!’ 

Mijn oma roept op serieuze toon door de telefoon.  
Er zit een duif vast op het balkon van haar serviceflat. Een ándere duif dan die van vanochtend, die netjes het vangkooitje met water en voedsel is ingewandeld en naar een beter oord is weggebracht.
Vogels zijn hier pertinent niet welkom, maar blijkbaar hebben ze nu geheel volgens de ’Pluk van de Petteflet’ stijl mijn oma’s balkonnetje uitgeroepen tot een soort Torteltuin, waar stil verzet wordt gepleegd in de vorm van vogelkak.
Een revolutie met kleine, grijze verzetshelden.  

Meneer Stuurman van de serviceflat heeft net aan de telefoon gesuggereerd dat oma, als deze duif niet zelf in het kooitje gaat, ze het dier dan misschien maar even op moet pakken en ín het moet kooitje zetten. 
Wij lachen hardop. Nog niet zo lang geleden hadden we zelf een week een gewonde duif op ons balkon en ik herinner mij nog zeer helder hoe het vangen van dit beest ging. (beeld je in: een scene uit de film ‘Birds’ maar dan met één vogel)
Dat meneer Stuurman aan oma suggereert dat ze het dier, dat al uren náást het kooitje zit, zelf even moet oppakken is een leuke suggestie, ware het niet dat haar rollator niet zo makkelijk op het balkonnetje past.
Oh ja, en ze kan ook niet bukken. Zeker niet om een duif met twee handen op te pakken en in een kooitje te schuiven.

We bespreken wat er nou met gebeuren.  Revolutie of niet, die beesten zijn hier ongenode gasten. 
‘Gooi em gewoon over de reling,’ dirigeert mijn oma op bloedserieuze toon.
‘Oma, nee!’ roep ik geschrokken. 
Dakota huppelt blij voorbij met het vierde blokje chocola. Niemand die op haar let. 

Ik kijk met mijn kopje koffie in de hand om het hoekje van de deur naar buiten. De duif zit statig naast de ingang van het vangkooitje, het water en het eten onaangeroerd. Naast de vogelkak is blijkbaar ook een hongerstaking als stil verzet in werking gezet.
‘Dit is dus een ándere duif,’ roept mijn oma nog een keer vanuit de woonkamer. De duif lijkt mij een zelf ingenomen blik toe te werpen en verroert zich niet. 

Even later staat meneer Stuurman ineens bij ons in de woonkamer. Aan zijn riem hangt allerlei gereedschap, ik hoop ergens niet voor de duif. 
Ik gluur stiekem mee als Stuurman het balkon op stapt en hoor hem ‘Zo jongen…’ zeggen. Blijkbaar is Stuurmans uitstraling indrukwekkend genoeg, want tot ieders verrassing slaat het beest zijn vleugels uit en flappert vrolijk weg. 

‘Maar nu zit hij op dat balkon daarboven,’ zeg ik tegen Stuurman, als die zich weer bij ons in de woonkamer meldt. Hij haalt zijn schouders op, zijn taak binnen deze revolutie is volbracht. Hij wenst ons nog een fijne ochtend en wij praten, onder het genot van een nieuw kopje koffie, over andere dingen. 
Vijf minuten later zie ik Gergö een blik werpen. ‘Ik wil niet vervelend doen …’ 
Hij hoeft zijn zin niet af te maken, iedereen heeft het gehoord. Vanaf het balkon klinkt duidelijk het iedereen wel bekende ‘roekoe…oeh..oehoeee’ 
Met zijn allen gaan we kijken en ja hoor: opnieuw bezoek! Ditmaal van twee duiven. ‘Dit zijn wéér twee andere!’ roept oma. 
Ik kijk en vind ze er als een tweeling uitzien, nee, eerder als drieling met de vorige duif erbij.  Wat bekokstoven die dieren hier? We kunnen het ze niet vragen, want als wij samen in het raam verschijnen vliegen ze snel weg. 

Ongenode gasten. Ze komen in allerlei soorten en maten. Sommige mensen in je leven halen neer, maken je minder, krenken je zelfvertrouwen en gebruiken je. 
Soms blijf je jaren proberen.
Soms hebben je liefde en trouw een positief effect en verandert er iets. 
Soms blijft verandering uit, wordt het zelfs erger.  
Je kunt ze blijven omarmen, te bang om iets te zeggen.  Ontwijken, in de hoop dat ze de boodschap doorhebben en wegblijven. 

Of gooi ze, naar mijn oma’s advies, gewoon lekker over de reling. 

Bloot

Met haviksogen spieden de mensen voor en achter mij om zich heen.
De beide rijen voor de kassa zijn inmiddels echt meterslang en dat kan maar één ding betekenen.  Ik zie de hand van de kassiere naar haar microfoontje reiken, het ‘klaar voor de start’. Om mij heen zetten voeten, jong en oud, zich schrap. Een korte stilte, en dan:
‘Dritte Kasse, bitte’
AF!
Nu geldt het recht van de sterkste. Mensen sprinten van achteruit de rij naar voren of springen over een hekje heen om maar te zorgen dat hùn knolselderij als eerste op die band ligt. Bij onze dorpssupermarkt is het zelfs zo dat mensen vanuit hun rij via de uitgang naar een andere kassa sprinten om gewoon vooraan aan te schuiven. 

Ik heb de strijd in het evangeliseren van kassagedrag inmiddels opgegeven. In Nederland wordt je volgens mij echt gelyncht als je zoiets doet, maar in Duitsland is dit dus overal doodnormaal. Terwijl om mij heen mensen elkaar met preien te lijf gaan om maar de eerste in de rij te kunnen zijn, hou ik mij met iets anders bezig; ik noem het: ‘bandje-loeren’

Er zijn mensen die onze geregelde sauna bezoekjes wat vreemd vinden. Want: super privé, enzo. Maar wat mij betreft ga ja nergens zo met de billen bloot als bij de kassaband van de supermarkt. 
Hier onderscheidt eenzaamheid zich van euforie. De feesters van de diëters. De die-hard vegans van de schijnheiligen zoals ik, met plantaardige yoghurt en melk, maar daarnaast wel eieren en kaas. 
Je hele privé leven ligt tentoongesteld voor wildvreemden op een zwart, bewegend stuk rubber. Want je bent wat je eet. Ik heb dan ook altijd het idee dat ik een beetje stiekem moet gluren. Dat ik niet te erg mag staren. Het voelt toch een beetje alsof je door de vitrage in hun woonkamer tuurt. 

Ik ben best wel sensitief. Ik voel wat andere mensen voelen zo scherp aan dat ik er echt onder kan lijden. Maar weet je, misschien hebben we daar wat meer van nodig in deze wereld. Dus lieve mensen bij de kassa: ik zie je, and I feel you! 
Jij, oudere man, die een paar éénpersoonsmaaltijden en een biertje uit je mandje vist. Jij, jongere, met je camouflagecrème, en een blikje energiedrank om erbij te horen. Jij moeder, die na weer een slapeloze nacht een lege verpakking op de band legt; wat erin zat moet de kassière maar aflezen aan de snoet van je peuter.
Daar in de rij bij de kassa openbaart zich de naakte waarheid van ons bestaan. Onze boodschappen vertellen ons verhaal, en daarna schuiven we ze zo snel mogelijk in een tas. De producten waar we ons voor schamen het eerst. We betalen, opgelucht dat we weldra door de schuifdeuren de anonimiteit van de wereld weer betreden.
Opgelucht, of misschien wel teleurgesteld, omdat onze wereld zo klein is en er niemand op ons wacht. Omdat we zo graag met iemand zouden praten, maar we niet weten hoe. Omdat we eigenlijk dat gesprek juist wel aan zouden willen knopen. 

Lief mens: ik zie je, en ik hoop dat er vandaag iemand die je vertrouwt je zal vragen hoe je je voelt. Hoe het met je gaat. Of je misschien zin hebt om die knolselderij samen op te eten.



Notitie van de schrijver 1: Wist je trouwens dat het in Duitsland ook doodnormaal is om bij een gesloten kassa te gaan staan en te vragen of ie al open gaat?  
Notitie van de schrijver 2: Wegens persoonlijke redenen is de groente in deze blog geanonimiseerd. De knolselderij op de foto betreft niet het onderwerp in dit schrijfstuk.