In het zonnetje

Een blog over een boerderij? Bij Anke? Ja, misschien verrassend, want we steken het niet onder stoelen of banken dat we het liefst zo vegan mogelijk leven en dat we het niet zo hebben op ‘het boerenleven’ zoals het er tegenwoordig meestal uitziet. Des te meer reden om vandaag mee te lezen hoe ik twee toffe mensen in het zonnetje zet 😉

Ongeveer een jaar geleden begonnen wij een langzame transfer van vegetarisch naar vegan.  Inmiddels eten we thuis eigenlijk voor 99 procent vegan. Onderweg doe ik wat ik kan, maar ik doe niet moeilijk over vegetarisch eten als het zo uitkomt, bijvoorbeeld als we de bergen ingaan. Gewone melk moet ik echt niets van hebben en dus heb ik wel altijd haver- of sojamelk bij me voor de koffie, maar een ijsje heb ik dan gek genoeg weer niet zoveel moeite mee. 

Sinds we dit avontuur zijn gestart, heb ik best wel een hekel aan boerderijen gekregen. De peuter wil nog wel eens graag bij de koeien kijken en ik vind het altijd vervelend voelen. Het idee dat die dieren alleen leven om geïnsemineerd te worden waarna hun kalfje altijd direct wordt afgepakt, om dan na een paar jaar op zeer stressvolle wijze naar de slachterij te gaan, vind ik echt heel erg rot. 

Wel moet ik zeggen dat de beeldvorming die je hierover vaak op internet krijgt niet helemaal eerlijk is; ik kreeg van daaruit het idee dat koeien altijd moord en brand gillen als hun kalfjes worden weggehaald, maar Jacqueline legde mij uit dat dit júist als ze direct worden weggehaald bij hen op de boerderij niet gebeurt. Zij vinden dit weghalen overigens net zo goed lastig. Op dit moment is er op hun boerderij geen andere oplossing door de regelgeving van de overheid en kiezen ze ervoor het te doen zoals ze het nu doen. 

Het is alweer even geleden dat ik met Jacqueline van Makor in contact kwam en ik raakte met haar in een mooi gesprek met wederzijds begrip over dit onderwerp. Zij is aromatherapeut en kruidengeneeskundige en studeert op dit moment ook nog voor klinisch kruidengeneeskundige en orthomoleculaire voedingsleer. 
Ze woont met haar man Marco op een biologische, regeneratieve boerderij. Dat houdt bijvoorbeeld in dat hun bodem helemaal onbewerkt is. Ze gebruiken dus geen gewasbescherming (pesticiden) en halen met de hand of schoffel onkruid weg. 
Ze vergroten de biodiversiteit en creëren juist vruchtbare bodemgrond ipv het ‘op te gebruiken’. CO2 wordt opgevangen in plaats van uitgestoten, vervuiling en afval geminimaliseerd en er wordt gebruik gemaakt van eigen bodemwater en duurzame energie. 

Zo’n boerderij is heel uniek, want hiervan zijn er op dit moment nog niet zoveel in Nederland. Veel gangbare en biologische boeren geloven dat deze manier van boeren op bepaalde grond niet kan, maar het kan echt op alle bodems: van klei tot zand tot veen. 
Dit is allemaal al heel bijzonder, maar ik vind dat ze zich vooral groots onderscheiden in hoe ze met hun koeien omgaan. 
Marco kent ze alle 90 bij naam en je zou Jacqueline eens moeten horen praten over hoe het is om na 14 jaar afscheid van een koe te nemen. 

De koeien van Marco en Jacqueline zijn 8 tot 8.5 maanden per jaar buiten. Campina beweert tegenwoordig op hun verpakkingen dat hun koeien 120 dagen per jaar buiten zijn, maar die koeien grazen niet buiten: ze ‘zijn’ er alleen. Campina beweert overigens ook dat je als biologische boer geen toekomst hebt omdat er te weinig vraag naar biologische boer-producten is, maar er is juist een tekort. Wist je trouwens dat bijna 70 procent van de niet-biologische melk uit NL wordt geëxporteerd? 

Ik vind het systeem zoals het is niet goed en dat vinden Jacqueline en Marco ook. Die overmatige consumptie en de idiote, agressieve en onnatuurlijke manier waarop er met dieren en natuur wordt omgaan, deed mij en Gergö beslissen om zoveel mogelijk vegan te leven. Jacqueline heeft zelf ook jaren vegan gegeten, maar werd er hartstikke ziek van. Na een hele lange zoektocht heeft ze nu een voedingspatroon gevonden wat voor haar werkt en ze schrijft ook vaak over het feit dat het met eten nóóit ‘one size fits all’ is. 

Dat kan ik volledig beamen. Mijn zusje Sarie mag geen melkproducten en kan absoluut niet tegen peulvruchten. Alle soorten erwten, bonen, etc. én ook heel veel noten (en nog een lijst van 60 andere dingen) kan ze slechts in piepkleine beetjes eten, te weinig om haar lichaam te onderhouden. Zij zegt altijd: ik eet vegan, maar wel een stukje vlees. Ik begrijp en respecteer dat. 

Ik ken geen boerenmensen die zó begaan zijn met hun dieren als Jacqueline en Marco. 
Treft deze dieren uiteindelijk hetzelfde lot? Ja. Vind ik dat oké? Nee, echt niet, ik vind dat héél moeilijk. Maar echt; áls ze dan ergens op een boerderij moeten zijn, dan alsjeblieft bij Jacqueline en Marco, waar ze voor de eerste dag dat ze in de lente weer naar buiten mogen opletten of het niet te zonnig is zodat ze hun uiers niet verbranden <3 (hoe lief is dat)  en de dieren in de herfst ’s avonds zelf terug naar de stal komen lopen.

De koeien van Marco en Jacqueline gaan naar een kleinschalige slachter, waar maar een paar koeien per keer worden geslacht. Ze komen gegarandeerd in biovlees terecht en niet gemengd met gangbaar vlees. Van de overheid moeten ze wel meer koeien wegdoen dan hen lief is, maar de kalfjes die ze niet mogen houden gaan naar een biologische klaverboerderij waar ze buiten lopen, biologisch gras en voer krijgen, etc. 

Voor mij is het niet zwart-wit. Dat vond ik eerst wel, maar als ik goed naar mensen luister zie ik dat iedereen zijn best doet er wat van maken. Volgens mij is dat het beste scenario dat we allemaal de stappen nemen die in onze mogelijkheid liggen om er wat beters van te maken en voor ons betekent dit zoveel mogelijk vegan eten en anders vegetarisch. Maar: begrijp ik dat de Inuït grotendeels van vis leven? Ja en ik vind dat volledig oké: hun lichamen hebben zich hierop afgestemd. Dat is namelijk echt een dingetje; er zijn zelfs voorbeelden van mensen die voor de buitenwereld een verschrikkelijk eenzijdig dieet lijken te hebben (slechts een paar producten), maar hun lichamen halen er toch uit wat zíj nodig hebben.

Jacqueline staat open voor ieder gesprek en kan er prachtig over vertellen, ik vind de manier waarop zij in een hectische wereld van meer-meer-meer vormgeven aan het boerenleven écht heel dapper en mooi. Jacqueline en Marco zien heil in een weg van kleinschalige, lokale, biologische producten, waarbij er eens in de zoveel tijd een koe voor een bepaalde gemeenschap wordt geslacht. Eigenlijk zoals vroeger dus. 

Van mij mogen alle boerderijen in NL vervangen worden door regeneratieve, biologische boerderijen, dat lijkt me een alvast een prachtige stap op weg naar een natuurlijkere, rustigere en gezondere wereld. 

Je kunt Makor vinden op www.makor.care of op Instagram: www.instagram.com/makor.care 

Boobies

Hoe overleef je 3,5 jaar borstvoeding geven en hoe ziet dat er nu eigenlijk uit, een peuter aan de borst? 

Hoe ons borstvoedingsavontuur begon, schreef ik al eens voor Kiind Magazine. 
Spoiler alert: zoals bij velen niet van een leien dakje. Eerder een dak met grote hobbels, sneeuwhaken en missende dakpannen.
Nu wil ik in deze blog ingaan op een ander onderdeel van het avontuur en dan met name de vraag: Wat voor rare eenhoorn ben ik wel niet dat ik mijn peuter van 3,5 nog aan de borst hebt? 

In ons verhaal komt niet één fles voor. Dat is mega uitzonderlijk, I know, maar kolven was gewoon nooit nodig. In Duitsland ben je sowieso een jaar thuis met je kindje, velen zelfs anderhalf jaar en sommigen (waaronder ik) zelfs drie jaar tot het begin van de Kindergarten. Borstvoeding was bij ons dus altijd een live uitzending, nooit vooraf opgenomen.

Borstvoeding legt onder andere een beschermende laag in de darmen en als daar vóór 6 maanden andere stoffen bijkomen, al is het maar één hapje, ziet het lichaam dit als vijandige stoffen die deze laag aantasten (voor een interessante blog met de wetenschappelijk achtergrond hierbij, lees: https://groenevrouw.nl/blog/darmrijping-eerste-hapjes-bijvoeding

Deze aantasting is gelukkig niet onomkeerbaar, de laag geneest ook weer als het daarna weer bij moedermelk blijft, maar dit was dus de reden dat wij pas vanaf 6 maanden begonnen met vast voedsel en wel volgens de Rapley methode. Dit betekent dat je kindje op maat met de pot mee-eet met wat jij eet en zelf aangeeft in welke mate ze vast voedsel en melk willen eten. Een natuurlijke verloop dus, precies wat zo goed bij ons past. 
In Nederland is de ‘Kleintjes methode’ een variant hierop. Daarbij worden voedselgroepen nog wel op een bepaalde volgorde geïntroduceerd, bij Rapley is bij wijze van de enige ‘regel’ dat je natuurlijk je kind van 6 maanden geen pinda’s gaat geven. 

Rond een half jaar begon ons meisje dus met ons mee te eten en ik wil even een moment van stilte voor hoe geniaal dit was. Of misschien beter een moment van hard juichen. 
Uit eten gaan was een feestje, want je kon altijd wel iets vinden wat je kon delen. Mexicaans, Italiaans, uitgebreid ontbijten, niks was te gek en alles deden we echt sámen.
Zo gezellig! Eten werd vanaf het begin onderling gedeeld en uitgewisseld en dit merken we nu nog. Dit werkt heel erg verbindend en is een mooie, natuurlijke manier van het laten zien van delen, ergo: saamhorigheidsgevoel. Daarnaast zijn kinderen erop geprogrammeerd om te willen proeven wat wij proeven, want dat is blijkbaar veilig voedsel. 
Hallo, logisch! En I love logisch!

Goed; bij de Rapley methode gaat de verloop van melk naar voedsel dus op natuurlijke wijze en dat betekent, net als bij ieder ander kinderbrein-onderwerp: véél langzamer dan de hectische maatstaven en doelen die de huidige maatschappij ons voorschrijven.  En ja, sorry, een boel consultatiebureaus inclusief, met uitspraken als ’als je niet met 3 a 4 maanden begint, krijgt je kind sneller allergieën’. Het idee dat je rond de 3 a 4 maanden zou moeten beginnen met fruithapjes, is gebaseerd op marketing van babypotjesfabrikanten. Veel mensen denken dat hun kind er rond die tijd heel erg aan toe is om hapjes te proberen, maar het kopiëren van onze kauwbewegingen en de interesse in voedsel betekent niet dat het persé gezond voor een babylijfje is om al iets anders als melk toe te voegen. 

Bij de Rapley/Kleintjes methode, ga je helemaal af op wat het kind aangeeft. Laat je hen zelf hun lichaam verkennen en geven ze zelf per dag aan in welke mate ze melk en in welke mate ze vast voedsel willen hebben. Rond een jaar werd er bij ons dus nog steeds voornamelijk veel moedermelk genuttigd. Sommige dagen probeerde ze een boel vast voedsel en andere dagen helemaal niets. Maakte niks uit, want er was altijd die prachtige back-up van moedermelk. Ik heb mij nog nooit een minuut zorgen hoeven maken over wat mijn kind binnenkrijgt, wat voor luxe is dat?!

Langzaam werd er steeds meer gegeten, daar getuigden de triomfantelijke restjes in haar poep van ;), maar er was nooit een reden om de borstmelk weg te halen. De balans was altijd perfect, ze gaf alles zelf aan en voor we het wisten waren we hier al beland: een peuter van drieeneenhalf aan de borst. 

Goed, hoe ziet dat er nou eigenlijk uit? 

Nou, allereerst: haast niet, want de momentjes beperken zich op dit moment voornamelijk tot het slapen gaan en wakker worden en soms even als troost. Ik denk dat veel mensen, ook familieleden, niet doorhebben dat ik überhaupt nog voed want ik loop gewoon niet de hele dag met mijn borsten uit mijn shirt te zwaaien en als ik mensen niet prettig vind of niet goed ken doe ik het sowieso niet, want dat voelt niet ‘veilig’ op de een of andere manier. 

Met drie jaar kun je natuurlijk al echt overleggen en kunnen ze ook prima een tijd zonder. Totdat ze een jaar of twee was voedde ik echt nog wel overal, maar nu met drie bijvoorbeeld niet meer op een terras of in een restaurant. Héél soms vraagt ze er daar om, maar dan verklaar ik op authentische wijze dat ik dat niet fijn vind. Ik denk dat dit deels toch wel komt omdat ik nu rond drie jaar mij wel écht een totale aliën voel, maar ik voel ook niet meer de behoefte om mijn peuter op schoot aan de tiet te heisen terwijl iemand tegenover mij patat zit te eten, terwijl ze op zo’n moment binnen drie seconden met iets anders af te leiden is. 
In de drager of buiten op een bankje maakt me dan weer niet zoveel uit, dit doen we ook vaak als we een hele dag op pad zijn in de bergen en er een dutje nodig is. 

Verder hebben we de ‘tot tien tellen’ regel: als ik geen zin meer heb of het vervelend vind, dan tel ik heel rustig tot tien en dan is het klaar. Dit werkt echt als een trein voor ons, ze heeft het nog nooit niet gerespecteerd en ze biedt dit zelf ook aan als ik überhaupt even geen zin heb, maar zij slokkies wil: ‘we kunnen wel even tot tien tellen?’

Ik vind het op dit punt héél fijn dat het er nog is (het reguleert ziekte, emoties, troost, honger en dorst, nogmaals: wat een luxe!) én tegelijkertijd heel fijn dat ze ook rustig twaalf uur zonder kan. Waar ik de eerste twee jaar mijn kleding toch wel 100 procent beperkte tot ‘moet handig zijn om borstvoeding mee te geven’, trek ik nu gewoon die leuke kersttrui met hoge hals aan en zorg ik voor het noodgeval dat ze toch ineens slokkies wil dat ik er een hemd onder draag. Ik ben expert kleding omhoog krullen en wegvouwen, óók in de winter met peuter voor op de buik in een drager en ik vind serieus dat hier medailles voor zouden moeten bestaan. 

Er zijn nog steeds dagen dat ik aan de frequentie van de momenten dat ze slokkies wil niet het idee heb dat er iets afloopt, maar aan de toeschietreflex merk ik dit zéker wel want die voel ik extreem duidelijk (ik heb zo’n toeschietreflex die een paar seconden heel vervelend voelt) en dat heb ik denk ik nog maar 1x op een dag eerlijk gezegd. 

Altijd de ideale voeding op maat bij je hebben is echt verslavend en ik ben blij dat we het tot nu toe zo natuurlijk af kunnen laten lopen. 
Lekker anders dan anders, dit, dat past wel bij ons 😉 

Nog een paar wist-je-datjes: 

De toeschietreflex betekent dat de melk begint met stromen. De tepel wordt tot wel 5 centimeter uitgetrokken waardoor de melk recht in de keel spuit. Er is óf deze optie, of droog sabbelen. Niet zoals bij een flesje een beetje niks doen en dat er spul de mond in stroomt en tussen de tanden loopt. Borstvoeding is hard werken! 

– De natuurlijk ‘wean’ leeftijd ligt tussen de twee en de zeven jaar. Op een gegeven moment als kinderen tanden gaan wisselen verliezen ze automatisch (langzaam) het vermogen om aan de borst te kunnen zuigen. 

– Ik ken iemand met vier kinderen aan de borst; een tweeling van twee en nog twee daarboven. Haar oudste vraagt er nog hoogstens 1x per week om. 

– Als borstvoeding natuurlijk mag aflopen gaan er op een gegeven moment steeds meer dagen tussen zitten dat ze er niet om vragen, het stopt eigenlijk nooit plotsklaps. Is dat zo (zeker onder een jaar!) dan kan het zijn dat er sprake is van een tijdelijke borst-staking, maar heel vaak komt het doordat je er tegenwoordig meestal niet aan ontkomt dat er van buitenaf wat met het proces geknutseld wordt. Which is fine 🙂