Politie.

‘Ik maak niks meer mee,’ zucht ik. 
De zon schijnt en we zitten in ons tuintje. We wriemelen onze blote tenen in het gras, terwijl Dakota een zelfbedacht verdwaalspel in de bosjes speelt. 
Gergö slurpt van zn koffie en kijkt me achterdochtig aan. 
‘Ja maar echt,’ benadruk ik, nog voor hij iets kan zeggen. ‘Hoe kan ik ergens over schrijven als ik niet bij mensen in de buurt mag komen? De enige mensen die bij andere mensen in de buurt mogen komen zijn politieagenten.’ 
Ik val even stil. 
‘Oh nee hé,’ waarschuwt Gergö, alsof hij mijn gedachten leest. ‘Als je het maar laat.’ 

We zijn met de auto op weg naar een afgelegen bos om te wandelen. In een klein dorpje waar het zo stil is dat het nu bijna een spookdorp lijkt, rijdt ons een politieauto voorbij. 
Ik rem een beetje af en kijk verlangend (of is het uitdagend?) uit het raam. 
Natuurlijk wil ik niet worden aangehouden omdat ik iets strafbaars doe, ik wil gewoon een gesprekje. Iets meemaken, zoals ons vroeger af en toe overkwam. Een schijnwerper en een vraag als ‘Wat doet u daar in die sloot?!’
Onze aanvaringen met de politie waren altijd aan het geocachen gerelateerd en daarbij kruip je nog wel eens bij nacht en ontij door sloten, of tunnels, of in ons geval ook grotten. Bij alle voorvallen was er sprake van een misverstand en vonden ze ons vooral heel raar.
Het toppunt was in Salt Lake City waar de SLPD ons op de verkeerscamera’s had gespot terwijl we ons ‘verdacht gedroegen bij een stoplicht’ en de beveiliging van de Mormoonse tempel, grote kerels in zwart pak met zonnebril en oortjes. ons letterlijk omsingelde. Een van hen bleek het spel te kennen en heeft nog even mee gekeken, de cache hebben we helaas niet gevonden en ook deze politieauto in het dorpje gunt ons geen blik waardig. ‘Anke…’ klinkt het naast mij. 
‘Ja, ja, maak je niet druk,’ bemoedig ik manlief haastig.  

Een paar dagen later is het ineens zover: op de weg naar een andere wandeling rijden we recht in een politiefuik. 
‘Pak de paspoorten!’ sis ik naar Gergö. Dit is mijn moment. Go-time. 
Ik rem in mijn enthousiasme veel te hard af en stop dus veel te vroeg, op zo’n 20 meter van de agent. Hij kijkt me bevreemd aan en wenkt dat ik tot hem moet doorrijden. Ik doe eerst het verkeerde raam open. Eigenlijk wil ik gelijk uit de auto springen en op de straat gaan liggen met mn handen op mn hoofd, maar dat is misschien wat overdreven. 
De agent werpt een korte blik in onze auto. Van de achterbank schalt de begintune van een nieuwe aflevering van Nijntje. Super badass. 
‘Hallo, joe, is goed. U mag verder rijden,’ lacht hij allervriendelijkst. 
Ik blijf staan, met het raam open. 
‘We kijken alleen of er niet teveel mensen in de auto zitten, u mag doorrijden,’ herhaalt de agent nog een keer met weer een brede glimlach. 
‘Weet u het zeker? Wilt u onze paspoorten niet even zien?’ vraag ik bijna smekend. 
‘Nee, dat hoeft niet. Fijne dag nog!’ 
De agent loopt naar zijn collega’s. Ik sta nog twee seconden stil en doe dan teleurgesteld het raampje weer dicht. En als er zoiets bestond als teleurgesteld optrekken, dan deed ik het op dat moment. 

Op deze manier zal het hier op mn blog voorlopig nog niet snel weer heel druk worden met verhalen.