Namas-née

Ik duw mijn handen tegen elkaar voor mijn borst en buig statig voorover.
‘Naaaaa-maaaaa-stéééé’ zeg ik Jamie braaf na.
Jamie is de leidster van onze online kinderyoga.
Dit deden we voorheen niet, toen zongen en dansten we gewoon met onze Tonie box, maar op het moment ben je toch niet helemaal ‘Corona 2020’ als je niet minstens één van de honderden gratis cursussen die er ineens online staan volgt.
’Vandaag maken we een tent, want we gaan in de jungle kamperen!’ roept Jaime super enthousiast. Ze is zo blij dat ik het bijna eng vind, maar goed: mn kind en ik doen samen yoga. Wat een mooi moment. Pluk de dag.
Ik buig voorover om een kampvuur uit te beelden en voel hoe Dakota zich in mijn haar vastklampt en bij mijn rug omhoog klimt. Ze slaat haar benen om mijn nek, laat zich op de grond vallen en tettert in mijn oor: ‘Nog een keer!’ 


Voor ons is “thuis” zijn normaal. Niet op deze manier, zonder sociale contacten en activiteiten buiten de deur, maar toch: ons thuis vermaken en werken daarbij combineren is voor ons business as usual.
Ons huis en leven is zo ingericht zodat Dakota zichzelf kan redden en vrij kan spelen, en dat werkt.
Tot dus die quarantaine begon.
Ineens lees ik van de meest uiteenlopende types mensen die voor het eerst in hun leven ervaren hoe het is om zolang met je kind(eren) thuis te zijn berichten over persoonlijke groei en vliegen de gratis cursussen me om de oren.

Vanaf acht uur ’s ochtends begint het binnen te stromen:
Om 15.00 u wordt er voorgelezen, om 16.00 u moeten we allemaal buiten op ons instrument spelen en om 18.30 u volgt een live concert van het Wiener Philharmoniker.
Ondertussen deel je om het uur nieuwe knutselwerkjes met je volgers, eet je kind bijzondere zelfgemaakte snacks met ingrediënten die je voor de Corona tijd niet eens kende en luister je intelligente podcasts met het laatste wetenschappelijke virusnieuws. Daarbij moet je er wel leuk gekleed bijlopen, want dat helpt voor je werk-vibe en je positiviteit. Schroom niet die lipstick op je gezicht te smeren, ook als je de hele dag thuis zit. 

Ik wordt al kortademig als ik opschrijf waar ik ineens allemaal aan deel kan nemen.
Super tof hoor, maar ik wil helemaal niet de hele dag op een loopband voor mn laptop rennen met  bemoedigende Corona muziek en een zelfgebreide zweetband. Ik wil op het terras van onze ijssalon een ijscoupe met aardbeien eten en glimlachen om de karakteristieke oudere bewoners van ons dorp.
Maar ik ben er dus wel mega gevoelig voor en ik krijg zoveel berichten van mensen die ineens de meest fantastische tijd van hun leven beleven, dat ik het gevoel krijg dat er iets mis met me is. Een heleboel ietsen.

Want waar de rest van de wereld op dit moment schijnbaar de hele dag als gezin in de tuin tussen de madeliefjes zit te mediteren en hun kinderen tijdens hun homeoffice zingend twee uur achter elkaar spelen zonder één vraag te stellen, sta ik in de badkamer om het eerste huishoudelijk klusje in drie dagen te doen met naast mij een boze peuter. Doet Gergö een telecon met zn gezicht onder de dino tattoes en plast Dakota over zijn blote voeten tijdens datzelfde gesprek

Ik probeer het echt wel hoor, al die nieuwe dingen. Ik knutsel, ik yoga, ja: ik. Want mijn peuter zit er gewoon gezellig naast en kijkt hoe ik een luchtballon uitknip en in elkaar plak. Als ze me nou nog een kopje koffie bracht ofzo, hé…
Waar gaat dit nou mis? Eigenlijk voel ik me meer een soort heks die elke dag een gigantische huilbui heeft en vindt dat ze die niet mag hebben, omdat ieder ander het zoveel erger heeft en ik het helemaal niet erg mag vinden.
En kijk, ik leer ook echt wel wat, bijvoorbeeld dat ik het overleef als ik een dag geen avonturen beleef en thuis zit, maar mijn overlevingsstrategie voor deze nieuwe emoties is dat ik het gewoon even poep wil vinden. Ja het is voor de een meer poep dan voor de ander, maar poep is poep.

Op dit moment moeten we maar gewoon extra lief voor elkaar zijn. Ieder hersenpannetje probeert op dit moment zn eigen stoofpotje van de Corona te brouwen en ontploft in een zwarte wolk bij de toevoeging van een verkeerd ingredient.
Waar voor de een de ‘tel je zegeningen’ challenge niet snel genoeg in het leven kan worden geroepen, sluit de ander zich aan bij een ‘waarom zou ik mn benen nog scheren, het leven heeft zo toch geen zin meer’ challenge.
Overlevingsmechanismen als ‘je moet dankbaar zijn’ en ‘ik wil het gewoon even shit vinden’ botsen als aardplaten die niet weten of ze nou onder of over elkaar heen moeten schuiven.

Misschien moet ik maar beginnen met iets aardiger voor mijzelf te zijn.
Gewoon doen wat we altijd doen, me niet laten opjagen door buitenaf.
Samen werken, Pluk lezen, Geocachen, en gewoon dom met verf kliederen zonder allerlei opdrachten en challenges.

En de volgende keer als Jamie me een opdracht geeft zeg ik volmondig Namas-née.

PS:
Ik heb zojuist buiten wel stiekem een madeliefjeskrans gemaakt. In de zon. En ervan genoten.



Suspense

‘U kunt kiezen uit ossenstaartsoep of de saladebar.’
We hebben de ober nét uitgelegd dat we graag vegetarisch willen eten.
‘Nou, de saladebar dan maar hé,’ frons ik. ‘En als hoofdgerechten de käsespätzeln en de linguine met pesto.’

Het is echt bloed- en bloedheet in het Duitse eetcafé en waar wij volwassenen de schijn hoog houden dat het wel meevalt, zit Dakota binnen een minuut in haar hemd en met blote voeten.
‘Oh nee, kijk…’
Gergö stoot mij aan en wijst naar het tafeltje direct naast ons.
Een citer en een plastic spaarvarken: dat kan maar één ding betekenen…
Nu zijn er een boel scenario’s mogelijk als er iemand tijdens onze maaltijd muziek gaat zitten maken, maar in geen van die scenario’s piesen Gergö en ik niet in onze broek van het lachen.
Ik heb het in mijn leven twee keer meegemaakt en ik krijg er ZO de kriebels van dat je met een stalen gezicht je aardappels naar binnen moet schuiven terwijl er iemand met een viool in je gezicht ‘tulpen uit Amsterdam’ staat te jengelen.
Nu lijkt deze muzieksituatie redelijk im-mobiel want met een citer ga je niet van tafel naar tafel (toch? please?) maar toch, hé, het concert is zometeen op een meter afstand van mij en mijn kaasnoedels.

We halen salade en kort daarna ontdekken we de muzikant, laten we hem Anton noemen.
Anton ziet er Bayerisch deftig uit: groot postuur, een grijze wollen spencer en een hoedje met een veer.
Hij loopt het etablisement op en neer, van voor naar achteren, neemt de mensen in zich op en kijkt constant op zijn klokje, dat aan een kettinkje aan zijn kleding hangt. Zijn blikken zijn dermate serieus dat we, ondanks onze aversie voor tafel-muziek, bijna net zo nieuwsgierig worden naar zijn optreden als naar de ontknoping van een spannende moordfilm.

Met een beetje een ‘het is bijna Sinterklaasavond’ gevoel wachten we op ons eten.
Anton blijft op en neer lopen. De salade is op en Dakota zit inmiddels onder de tafel.
De ober komt terug: ‘U kunt nog een keer van de saladebar pakken,’ meldt hij gebiedend.
Terwijl ik nog wat koude boontjes en wat plastic-achtige mozzarella bolletjes op mn bord schep, gaat Anton achter zn citer zitten.
Hij doet een tijdje niets en kijkt een beetje verloren naar zijn instrument, alsof hij zich bij het uitzendbureau eigenlijk als automonteur had ingeschreven en nu per ongeluk hier citer moet spelen.
Wij weten niet goed of we nu onze adem moeten inhouden of onze billen moeten samenknijpen.
Dan bewegen Antons handen. We kijken gespannen toe, maar in plaats van naar de citer graaien ze naar een stapeltje papieren in zn vest, een soort spiek-kaartjes.
Ik zie geen noten, alleen tekst. ‘Wat zou het zijn?’ fluister ik.
‘Misschien zijn het brieven van zn overleden vrouw,’ oppert Gergö.
Ik peins even over deze zielige optie en heb in mijn hoofd al een half boek geschreven over ‘de zielige automonterende-citerspeler weduwnaar’, als Anton de papieren resoluut aan de kant schuift en zijn hand in zijn tas steekt.
Van alle opties van voorwerpen die tevoorschijn zouden kunnen komen, hadden we een plakband automaat het minste verwacht.
Het ding wordt naast de citer gezet en Anton begint met veel zorg plakbandjes om al zijn vingers te draaien.
Ik prop, gefascineerd starend, gedachteloos het ene na het andere vieze mozarellaballetje in mn mond.

Ons eten arriveert.
Dakota is inmiddels al vier keer klaar met de kleurplaat die ze heeft gekregen en wil graag slapen. Wij beginnen snel aan de pasta en kaasnoedels en kijken bijna smekend naar de man.
Er is nu sprake van zó’n lange (denkbeeldige) tromroffel, dat ik toch wel even wat wil horen voor we vertrekken.
En dan, waarempel, beroert Anton de snaren van het instrument. Weliswaar onhoorbaar, zelfs al zitten we op een meter afstand, en we kunnen er ook geen kaas(noedel) van maken wat voor muziek hij zit te spelen, maar er gebeurt wat! 

‘Ik denk dat hij aan het stemmen is,’ merkt Gergö na twee minuten op. Ik knik. Dat zal wel, inderdaad.
Onze borden raken leger en leger, Anton blijft onhoorbaar onsamenhangende klanken op zn citer tokkelen. De andere gasten lijken er ook geen aandacht aan te schenken.

We besluiten dat het niet zo mocht zijn en staan op om het restaurant te verlaten, en dan gebeurt het:
Precies op het moment dat we Anton’s tafeltje passeren, begint hij ineens echt te spelen.
Luid, duidelijk, en ook nog best leuk.
Hij groet ons met een brede lach en als boeren met kiespijn grijnzen we terug. We blijven staan en er verdwijnt wat geld in het spaarvarken.
‘Dat waren een paar hele dure noten,’ mompelt Gergö als we weglopen.
Ik grijns. ’Drie seconden muziek: twee euro. Een avondje suspense: onbetaalbaar!’

Dan horen we snelle voetstappen naderen…








Scherp

‘Dit restaurant is perfect mam, hier kunt u bijna alles eten!’ roep ik enthousiast als we de Italiaan binnenlopen.

We krijgen de menukaart aangereikt. 
‘De G staat voor melkproducten,’ zeg ik, terwijl mijn ogen alvast langs de lijst gaan. 
G, G, G…
Er blijft één gerecht over.  
Gelukkig is mijn moeder iemand die het direct voor doet komen alsof ze toevallig ook net vreselijk veel zin had in dat ene gerecht. 
‘Oh ja, lekker! Spaghetti aioliemolie, ofzo!’ roept ze opgetogen. 
Ik kijk met opgetrokken wenkbrauwen naar de ingrediënten. Olie, knoflook en pepers. ‘Weet je het zeker, mam?’

Als onze gerechten arriveren begint mijn moeder na één hap te hoesten en zet haar glas rosé aan de lippen. Ik zie bijna de helft van de inhoud naar binnen verdwijnen. ‘Scherp?’ vraag ik. ‘Nee hoor,’ roept ze vrolijk. 
Nu wil Dakota proeven. Mn moeder geeft haar één sliertje waar met zorg een piezeltje af wordt gebeten. 
‘Scherp!’ is het vernietigend oordeel.
Ik probeer zelf ook een hap. De eerste twee seconden denk ik nog dat het wel meevalt, maar daarna voelt het alsof al mijn papillen in een soort hellekoor beginnen te krijsen. 
Ik blus mijn mond met Apfelschorle en gooi onmiddellijk uit medelijden wat van mijn gnocchi op mijn moeders bord.
‘Ja, maar ik vind het echt wel lekker hoor!’ roept mijn moeder. En na nog een hap: ’Zou je hier ook blaren van kunnen krijgen?’ 
‘Schepje kaas op oma’s schèèèrpe pasketti,’ roept Dakota, terwijl ze een grote lepel parmezaanse kaas boven mijn moeders bord leegkiepert. 
Gergö is aan de beurt en lijkt na zijn ontmoeting met de ‘spaghetti aioliemajolie’ andere dimensies te kunnen zien. Hij verkondigt ons zwetend dat het scherp, maar lekker is. 
‘Ja, het is echt wel lekker, hoor,’ herhaalt mijn moeder. Ik gooi nog maar wat gnocchi op haar bord. 
’Hoe kun je überhaupt beoordelen of dit ergens naar proeft?!’ hijgt Nien met uitgestoken tong tussen een paar grote slokken bier door. 

En zo zitten we daar, allemaal met een letterlijke scherpe tong. Maar als het bord, nog halfvol, wordt opgehaald, zeggen we niets. Er was immers niets mis mee? Het is niet mislukt. Alleen niet geschikt voor aardappel-groente-vegaschijf Hollanders.

Wie wel wat had gezegd, is Jörgen, (gefingeerd) en wat vind ik dit een prachtige gelegenheid om hem aan jullie voor te stellen. Want zit mijn moeder aan de harmonieuze kant van het spectrum, dan vind je Jörgen helemaal aan het andere uiterste. 
Jörgen had het gerecht niet alleen teruggestuurd, maar deels als bewijsstuk voor in de rechtbank in z’n tas gestopt. 
Had ik het net over een letterlijke scherpe tong, deze man is de meest karakteristieke figuurlijke scherpe tong die ik ken.

Jörgen zit met ruim 90 jaar niet achter de geraniums, maar op een boomstronk in het bos een borrel te drinken. In zijn zelfgemaakte fietskar een bijl en stukken touw. 
Jörgen is voorvechter en protesteerder eerste klas.   
Van konijn tot trapgevel: hij voert er actie voor; inclusief formulier dat je, altijd onder vermelding van je beroep (why?), moet ondertekenen. Liefst met betaling van 5 euro voor de (onduidelijke) onkosten.
Waar mijn moeder vele plannen toejuicht, is voor Jörgen geen plan veilig. Zijn speeches en stukjes in de dorpskrant zijn berucht.
Fiets je langs het politiebureau, dan zit hij daar aan tafel. 
Fiets je langs Natuurmonumenten, dan zit hij daar aan tafel. 
En als hij niet aan een van de tafels waar ‘het’ geregeld wordt zit, dan loopt hij door het dorp. Zijn rollator fel voor zich uit duwend, alsof het een nukkig dier is dat niet achter
hem aan wilde lopen. Mensen als mijn moeder propt hij gewoon in z’n mandje, zegmaar. Velen irriteren zich aan zijn felle, genadeloze stijl. Ja, we hebben het nog steeds over iemand die in de 90 is.

En dan ineens, fiets ik hem op een dag voorbij en zit hij midden op de stoep op z’n rollator met een grote, pluizige, beige kat op schoot.
Zijn ogen zijn gesloten, zijn hoofd opgeheven naar het magere lentezonnetje. Het tafereel is vredig, bijna heilig, en dus durf ik niet om een foto te vragen, maar deel ik het plaatje hier in woorden.
Ik vind het zo’n prachtige herinnering dat achter iedere scherpe tong, hoe naar en vervelend soms ook, een geschiedenis schuilt. Een kind van een moeder. Een mens. Een slapend mens, op een rollator, met een kat op schoot.

Maar soms ook gewoon zoiets simpels als een te scherpe pasta. 

De naakte waarheid

We rijden naar Nederland.
Ik reik Dakota een wat groot uitgevallen aardbei aan en neem een slok van mijn cappuccino. Als ik mij 5 min later omdraai, lijkt het alsof er op de achterbank iemand is geslacht. Ik graai een vies plakkerig restje uit de bekerhouder, heb een soort ‘is dit nu mijn leven’ momentje.
‘Onze eerste stop in het hotel wordt de halte ‘ontspanning’,’ zucht ik naar Gergö. ‘Ze hebben een sauna, toch?’
Gergö knikt, we hoeven onze gedachten niet uit te spreken.
Want tja, met een kind trek je toch wel een beetje een soort paard van Troje de veilige hekken van je leven binnen. Eentje waaruit allerlei etensresten, stukjes klei en spraak-recorders waar alleen maar nonstop het woord ‘mama’ uitgalmt tevoorschijn komen. 

Dit keer hebben we een bio-hotel geboekt en bij de receptie staat een bordje: inclusief panorama sauna. Hoera!
‘Oeh, we hebben het rijk voor ons alleen,’ constateer ik bij binnenkomst.
Het ziet er allemaal mooi uit, maar er is geen omkleedruimte. Wel vijf kledinghaakjes, recht tegenover de deur naar het restaurant en de receptie. Begrijp me niet verkeerd: ik kies er zelf voor om bloot naar een sauna te gaan, maar dat deel ik met andere mensen die daar met hetzelfde doel bewust voor kiezen. Niet met Henk die aan de andere kant van de deur pasta zit te eten. 
Afijn, ik duik de sauna in. Ontspanning, here I come. Dakota zit een halve minuut op een handdoek op de grond naast mij en gaat dan douchen.
‘Ik neem haar mee naar de kamer, hoor!’ hoor ik Gergö een minuut later roepen.
Prima, ik heb iets leuks te doen: ik moet het panorama nog vinden!

Voor mij is een blinde muur, dus dat kan het niet zijn. Ik speur alles af, tot aan het plafond, maar er is niets te bekennen. Geen echt panorama en ook geen nep-panorama op een foto. Wie wel panorama hebben, zijn de buren. Op mij, in mn blootje. En van het busje dat naast het raam van de sauna staat geparkeerd hoop ik maar dat de mensen niet net nu ik hier zit terugkomen. Er zitten wel wat mat-strepen op het raam naar buiten, maar of die nou net de juiste delen bedenken als iemand naar mij kijkt is natuurlijk maar de vraag. Dat hangt er een beetje vanaf hoe ik zit. 

‘Nou, hup Anke, tempo,’ spreek ik mijzelf toe. Dakota heeft in de auto niet geslapen en staat op instorten, en we willen nog even samen eten. Ik smijt een paar enorme soeplepels water op de stenen, brand een tijdje weg, en koel mij daarna af. Deels in mijn handdoek gewikkeld, deels in wat kleding, loop ik zo nonchalant mogelijk langs de receptie en sluit me aan bij Gergö en Dakota. 

We vinden plekje in de eetruimte van het hotel. Vroeger waren we naar een restaurantje gegaan, maar daar waag ik mij met een oververmoeide peuter niet aan. We gaan voor het pizza-menu. Pizza met een drankje. 
‘Het is gewoon diepvriespizza, hoor’ waarschuwt de receptioniste, die ook serveerster en kok is.  ‘Maar wel een biologische!’ 
Prima, we hebben trek. Kom maar op. 
Dakota eet alle champignons van onze pizza, wij vullen onze magen.
‘Het smaakte eigenlijk echt heel lekker!’ geven we de receptioniste blij ons oordeel als we weglopen.
Als we terug boven zijn valt Dakota als een blok in slaap. Wij verschansen ons bij kaarslicht (haha, grapje, gewoon ons laptopscherm) in de badkamer-met-glazen-deur, blij dat de peuter ‘out’ is en niet van plan op welke wijze dan ook het risico te lopen dat ze weer wakker wordt.
‘Jij ook een lauw wit wijntje?’ grap ik fluisterend naar Gergö. Als snack eten we de crackertjes die eigenlijk voor morgen voor Dakota in de auto zijn bedoeld. We kijken zachtjes wie is de Mol, wat door het vreselijke internet elke drie minuten een tijdje stil staat. Een fantastische les in geduld. Of in het omgaan met agressie en teleurstellingen, zo je wilt. En toch zijn we blij en optimistisch.
‘Hoorde je hoe grappig ze die mevrouw groette?’ zeg ik in de internet pauze tegen Gergö. En: ‘Wat is ze lief, hé?’

Ja, dit is nu ons leven. Soms mis ik mijn vrijheid. En dan ligt mijn kind tien minuten in bed en ik kijk een schattig filmpje van die dag en dan mis ik haar ineens. Jongens, ik heb de winnaar voor de ‘ambivalent prijs 2020’ gevonden: het ouderschap.