Revolutie

‘Ja, als die duif nou even zélf initiatief zou tonen!’ 

Mijn oma roept op serieuze toon door de telefoon.  
Er zit een duif vast op het balkon van haar serviceflat. Een ándere duif dan die van vanochtend, die netjes het vangkooitje met water en voedsel is ingewandeld en naar een beter oord is weggebracht.
Vogels zijn hier pertinent niet welkom, maar blijkbaar hebben ze nu geheel volgens de ’Pluk van de Petteflet’ stijl mijn oma’s balkonnetje uitgeroepen tot een soort Torteltuin, waar stil verzet wordt gepleegd in de vorm van vogelkak.
Een revolutie met kleine, grijze verzetshelden.  

Meneer Stuurman van de serviceflat heeft net aan de telefoon gesuggereerd dat oma, als deze duif niet zelf in het kooitje gaat, ze het dier dan misschien maar even op moet pakken en ín het moet kooitje zetten. 
Wij lachen hardop. Nog niet zo lang geleden hadden we zelf een week een gewonde duif op ons balkon en ik herinner mij nog zeer helder hoe het vangen van dit beest ging. (beeld je in: een scene uit de film ‘Birds’ maar dan met één vogel)
Dat meneer Stuurman aan oma suggereert dat ze het dier, dat al uren náást het kooitje zit, zelf even moet oppakken is een leuke suggestie, ware het niet dat haar rollator niet zo makkelijk op het balkonnetje past.
Oh ja, en ze kan ook niet bukken. Zeker niet om een duif met twee handen op te pakken en in een kooitje te schuiven.

We bespreken wat er nou met gebeuren.  Revolutie of niet, die beesten zijn hier ongenode gasten. 
‘Gooi em gewoon over de reling,’ dirigeert mijn oma op bloedserieuze toon.
‘Oma, nee!’ roep ik geschrokken. 
Dakota huppelt blij voorbij met het vierde blokje chocola. Niemand die op haar let. 

Ik kijk met mijn kopje koffie in de hand om het hoekje van de deur naar buiten. De duif zit statig naast de ingang van het vangkooitje, het water en het eten onaangeroerd. Naast de vogelkak is blijkbaar ook een hongerstaking als stil verzet in werking gezet.
‘Dit is dus een ándere duif,’ roept mijn oma nog een keer vanuit de woonkamer. De duif lijkt mij een zelf ingenomen blik toe te werpen en verroert zich niet. 

Even later staat meneer Stuurman ineens bij ons in de woonkamer. Aan zijn riem hangt allerlei gereedschap, ik hoop ergens niet voor de duif. 
Ik gluur stiekem mee als Stuurman het balkon op stapt en hoor hem ‘Zo jongen…’ zeggen. Blijkbaar is Stuurmans uitstraling indrukwekkend genoeg, want tot ieders verrassing slaat het beest zijn vleugels uit en flappert vrolijk weg. 

‘Maar nu zit hij op dat balkon daarboven,’ zeg ik tegen Stuurman, als die zich weer bij ons in de woonkamer meldt. Hij haalt zijn schouders op, zijn taak binnen deze revolutie is volbracht. Hij wenst ons nog een fijne ochtend en wij praten, onder het genot van een nieuw kopje koffie, over andere dingen. 
Vijf minuten later zie ik Gergö een blik werpen. ‘Ik wil niet vervelend doen …’ 
Hij hoeft zijn zin niet af te maken, iedereen heeft het gehoord. Vanaf het balkon klinkt duidelijk het iedereen wel bekende ‘roekoe…oeh..oehoeee’ 
Met zijn allen gaan we kijken en ja hoor: opnieuw bezoek! Ditmaal van twee duiven. ‘Dit zijn wéér twee andere!’ roept oma. 
Ik kijk en vind ze er als een tweeling uitzien, nee, eerder als drieling met de vorige duif erbij.  Wat bekokstoven die dieren hier? We kunnen het ze niet vragen, want als wij samen in het raam verschijnen vliegen ze snel weg. 

Ongenode gasten. Ze komen in allerlei soorten en maten. Sommige mensen in je leven halen neer, maken je minder, krenken je zelfvertrouwen en gebruiken je. 
Soms blijf je jaren proberen.
Soms hebben je liefde en trouw een positief effect en verandert er iets. 
Soms blijft verandering uit, wordt het zelfs erger.  
Je kunt ze blijven omarmen, te bang om iets te zeggen.  Ontwijken, in de hoop dat ze de boodschap doorhebben en wegblijven. 

Of gooi ze, naar mijn oma’s advies, gewoon lekker over de reling. 

Bloot

Met haviksogen spieden de mensen voor en achter mij om zich heen.
De beide rijen voor de kassa zijn inmiddels echt meterslang en dat kan maar één ding betekenen.  Ik zie de hand van de kassiere naar haar microfoontje reiken, het ‘klaar voor de start’. Om mij heen zetten voeten, jong en oud, zich schrap. Een korte stilte, en dan:
‘Dritte Kasse, bitte’
AF!
Nu geldt het recht van de sterkste. Mensen sprinten van achteruit de rij naar voren of springen over een hekje heen om maar te zorgen dat hùn knolselderij als eerste op die band ligt. Bij onze dorpssupermarkt is het zelfs zo dat mensen vanuit hun rij via de uitgang naar een andere kassa sprinten om gewoon vooraan aan te schuiven. 

Ik heb de strijd in het evangeliseren van kassagedrag inmiddels opgegeven. In Nederland wordt je volgens mij echt gelyncht als je zoiets doet, maar in Duitsland is dit dus overal doodnormaal. Terwijl om mij heen mensen elkaar met preien te lijf gaan om maar de eerste in de rij te kunnen zijn, hou ik mij met iets anders bezig; ik noem het: ‘bandje-loeren’

Er zijn mensen die onze geregelde sauna bezoekjes wat vreemd vinden. Want: super privé, enzo. Maar wat mij betreft ga ja nergens zo met de billen bloot als bij de kassaband van de supermarkt. 
Hier onderscheidt eenzaamheid zich van euforie. De feesters van de diëters. De die-hard vegans van de schijnheiligen zoals ik, met plantaardige yoghurt en melk, maar daarnaast wel eieren en kaas. 
Je hele privé leven ligt tentoongesteld voor wildvreemden op een zwart, bewegend stuk rubber. Want je bent wat je eet. Ik heb dan ook altijd het idee dat ik een beetje stiekem moet gluren. Dat ik niet te erg mag staren. Het voelt toch een beetje alsof je door de vitrage in hun woonkamer tuurt. 

Ik ben best wel sensitief. Ik voel wat andere mensen voelen zo scherp aan dat ik er echt onder kan lijden. Maar weet je, misschien hebben we daar wat meer van nodig in deze wereld. Dus lieve mensen bij de kassa: ik zie je, and I feel you! 
Jij, oudere man, die een paar éénpersoonsmaaltijden en een biertje uit je mandje vist. Jij, jongere, met je camouflagecrème, en een blikje energiedrank om erbij te horen. Jij moeder, die na weer een slapeloze nacht een lege verpakking op de band legt; wat erin zat moet de kassière maar aflezen aan de snoet van je peuter.
Daar in de rij bij de kassa openbaart zich de naakte waarheid van ons bestaan. Onze boodschappen vertellen ons verhaal, en daarna schuiven we ze zo snel mogelijk in een tas. De producten waar we ons voor schamen het eerst. We betalen, opgelucht dat we weldra door de schuifdeuren de anonimiteit van de wereld weer betreden.
Opgelucht, of misschien wel teleurgesteld, omdat onze wereld zo klein is en er niemand op ons wacht. Omdat we zo graag met iemand zouden praten, maar we niet weten hoe. Omdat we eigenlijk dat gesprek juist wel aan zouden willen knopen. 

Lief mens: ik zie je, en ik hoop dat er vandaag iemand die je vertrouwt je zal vragen hoe je je voelt. Hoe het met je gaat. Of je misschien zin hebt om die knolselderij samen op te eten.



Notitie van de schrijver 1: Wist je trouwens dat het in Duitsland ook doodnormaal is om bij een gesloten kassa te gaan staan en te vragen of ie al open gaat?  
Notitie van de schrijver 2: Wegens persoonlijke redenen is de groente in deze blog geanonimiseerd. De knolselderij op de foto betreft niet het onderwerp in dit schrijfstuk.

‘Mag ik een foto?’

‘Ik denk dat jullie de verkeerde toer hebben geboekt.’
De gids wijst met zijn vinger naar onze posturen.
Ik met mijn slanke genen, en Gergö na twee weken ziekenhuis (waarvan een aantal dagen met alleen sondevoeding) als een mager hoopje mens.
‘Dit is niet iets sportiefs, we hoeven bijna niet te lopen.’
Ik glimlach. ‘All good, he can’t walk that far yet.’

Ons busje met acht toeristen verlaat de intense smog van Santiago en rijdt over hobbelige paadjes het Andesgebergte in. ‘Als er nu iets mis gaat, zijn we écht de pineut,’ schiet het door me heen. Een gevoel dat dit uitstapje waar we zo aan toe waren een fout was, bekruipt me, maar ik durf het niet hardop te zeggen. 

De rit lijkt eindeloos te duren. Een van de toeristen drinkt het ene blik bier na de andere, twee anderen verstaan nauwelijks Engels en bijna geen Spaans en krijgen een handen-en-voeten vertaling van alles wat onze gids naar achteren roept. 

Het gehots en gebots over het rotsige pad naar het bergmeer doet me afdwalen naar Gergös rit in de ambulance. Drie uur duurde het, om met een ontstoken, barstende blindedarm vanaf het basiskamp door de woestijn bij het “ziekenhuis” in Calama te komen.
Een ziekenhuis waar hij niet in het bed paste en waar de enige die drie woorden Engels sprak de anesthesist was: ‘Me, you sleep.’
Waar ze nog geen twee uur voor de geplande vlucht naar de hoofdstad de reis cancelden en hem toch maar weer opnieuw open sneden omdat ze hem van binnen niet helemaal goed schoon hadden gemaakt.

‘Hoe gaat het met hem?’ sms-te ik in de dagen voor ik zelf ook naar Santiago vloog mijn contactpersoon geregeld. De énige persoon die me op dat moment kon vertellen hoe het met Gergö ging.
‘Ja, wel goed,’ was het antwoord.
‘Mag ik een foto?’ vroeg ik. Ik wilde het met eigen ogen zien.
‘Ik haal even een broodje en dan stuur ik het later.’
De foto bleef uit en later begreep ik van Gergö dat hij deze contactpersoon nauwelijks zag. Hij had de tijd gebruikt om zijn familie te bezoeken, terwijl Gergö alleen in een ziekenhuis lag, op duizenden kilometers afstand van iedereen die hij kende.

We arriveren bij een bergmeer. We stappen uit het busje en zien een indrukwekkende gletsjer en een heleboel gieren. We nemen een groepsfoto met mensen die we nog nooit hebben gezien en nooit weer zullen zien en eten een broodje kaas met een glaasje erbij alsof er niks aan de hand is.

Soms hebben we geen idee wat onze woorden en daden voor een ander kunnen betekenen. Tegenover deze ene contactpersoon stonden handenvol mensen, zowel onbekenden als vrienden & familie, die buiten alle lijntjes kleurden om voor Gergö, (en mij!) te zorgen. Die veel verder gingen dan ‘regelen wat nodig is’.

We staan als mensen dagelijks voor keuzes. We kunnen voor iemand die ene contactpersoon zijn, of de groep mensen die zich als een beschermende deken uitspreidden en het draait hierbij om een belangrijke vraag.
Een vraag waarvan er dagen zullen zijn dat je hem niet kunt stellen, maar waarvan je dan hoopt dat anderen hem aan jou stellen.
Een vraag die, als we hem vaker stellen, de wereld zachter en verdraagzamer maakt:

Wat kan ik voor jou betekenen?


Theater.

Het is aardedonker.
Een lampje doemt op op het onverharde pad dat door de velden naar het dorp leidt.
De fietser heeft hier niets te zoeken op zondagavond om acht uur; de campus die hij achter zich laat is stil. De gebouwen slapen, in afwachting van de nieuwe werkweek die morgen begint.
De man trekt zijn muts van zijn hoofd en propt hem al fietsend in zijn jaszak. De wereld is duidelijk in de war, want de winter zwijgt in alle toonaarden.
Dan ineens: kreten. IJzige kreten die vanuit het struikgewas de stille avondlucht uiteen rijten. Gegil, protest. Een flits van een zaklamp; dan niets meer.

De man fietst door. Zijn geweten schreeuwt dat hij moet stoppen, maar hij kan het niet. Zijn lichaam vecht tegen zijn verstand, zijn benen trappen gewoon verder.
Op het spoor naast het pad haalt een trein hem in, kort lawaai, en dan is hij weer alleen met de avondlucht die beschuldigend haar vinger opsteekt. Nogmaals schalt een hartverscheurende, langgerekte ‘nee’ door de lucht. Het werkt als brandstof op zijn spieren, nog harder fietst hij. Weg van de plek des onheils. Dit is niet gebeurd.

Eenmaal thuis kunnen zelfs een hete kop thee en een lange douche het voorval niet van hem wegspoelen. Een stemmetje in zijn hoofd probeert hem te vertellen dat hij het zich verbeeld heeft, maar de stem klinkt naïef, ongeloofwaardig.
‘Wat is er aan de hand?’ vraagt zijn vrouw als hij even later in zijn badjas voor zich uit zit te staren op de bank. Ze staat tegenover hem en drukt haar handen in haar zij. ‘Je kijkt alsof je een lijk hebt gezien.’
De man voelt hoe zijn spieren aanspannen.
‘Het is vast niks,’ mompelt hij.
‘Wát is vast niks?’ houdt zijn vrouw vol. En daarna achterdochtig: ‘Je bent toch niet alweer je sleutels kwijtgeraakt?’

De volgende ochtend neemt de man de trein naar zijn werk op de campus. Hij probeert zichzelf voor te houden dat hij zich niet meer herinnert waar het gillen precies was, maar hij weet het exact. In een flits zijn ze eraan voorbij en een minuut later rijden ze het station binnen.
9.03 uur.
Mensen stromen naar buiten. De desillusies van een voorbijgegaan weekend in hun rugzak, de maandag sadistisch grijnzend op hun schouders.

Een stuk uit het theater genaamd:
’De familie Popping – van Delden en hun geocache-avonturen’

Tijd en plaats:
Zondagavond, 20.00 u., in de bosjes naast het onverharde pad tussen de universiteitscampus en ons dorp Garching.

Met in de hoofdrol:
Dakota –  Zeer teleurgestelde peuter. Zet het op een krijsen als ze zich realiseert dat er geen geocaches meer op het programma staan en we zo terug naar huis moeten gaan.

Anke en Gergö – Ouders van Dakota. Proberen zich samen met de peuter een weg door de heftige emoties (en de bosjes) te slaan, op weg terug naar het geciviliseerde deel van haar brein en de wereld.

Anoniem – Een argeloze voorbijganger op een fiets. Heeft waarschijnlijk een levenslang trauma opgelopen door de door merg en been gaande kreten die Dakota in het aardedonker vanuit de bosjes produceerde exact op het moment dat hij/zij langsreed.

Sorry, fietser.






Doei doei.

We zijn met zn drieen. Gergö, mn schoonmoeder en ik. 

We rommelen nog wat dom door onze tasjes en kijken of we genoeg zakdoekjes bij ons hebben.
Hoeveel zakdoekjes heb je nodig voor de crematie van je schoonvader?

We stappen in de auto, helemaal deftig in onze kerstkleding, net als mijn schoonvader, en ik vraag me af of er ook buren stiekem vanachter hun vitrage naar ons kijken. Vandaag zijn wij ‘die mensen’.

Ik heb geen idee hoe alles zou verlopen, maar één ding weet ik zeker:
Mijn eerste ervaring met het bekijken van een overledene toen ik een jaar of tien was, was ook gelijk de laatste. Ik ga sowieso niet bij mijn schoonvader kijken.
Nou goed, soms lopen dingen gewoon anders dan je verwacht en net als dat Gergö niet had gedacht dat hij het zo fijn en goed zou vinden om het lichaam van zijn vader te verzorgen, aan te kleden en in de kist te leggen, had ik niet verwacht dat ik ineens met Gergö naast de open kist zou staan om afscheid te nemen.

Ik sta er, en verrek… ik vind het mooi. Ik vind het zelfs super fascinerend.
Eigenlijk vind ik het zó fascinerend, dat ik ervan schrik en me afvraag wat er mis met me is dat ik het zo boeiend vind om op deze manier een dood lichaam te bekijken. Een omhulsel dat zijn ziel heeft losgelaten.

Een paar woorden naar elkaar en naar mijn schoonvader later zitten we weer in de aula met een kopje koffie en een ‘koekje-waar-niemand-zin-in-heeft’.
De medewerkers van het centrum halen het horloge en de trouwring van mn schoonvaders hand en brengen het ons in een zakje.
Dan is het tijd om de kist te gaan sluiten, we lopen een laatste keer door de gang.
Ik zal foto’s maken met mijn mobiel. Niet teveel, niet te opvallend, maar toch zorgen voor een paar dierbare herinneringen. Toch wel een beetje anders dan een paar gezellige kerstplaatjes schieten…

Gergö en zijn moeder helpen met het sluiten van de kist, onder begeleiding van de medewerkers van het rouwcentrum.
Wat zijn die mensen een helden! Ik ben zo aangegrepen door hoe fantastisch zij hun werk doen en door het hele mysterieuze, ongrijpbare en fascinerende van alles wat daar in het gebouw gebeurt, dat ik me acuut voorneem om een opleiding tot uitvaartondernemer te gaan doen, want wat kun je daar een groot verschil maken.
Zo is bijvoorbeeld het sluiten van de kist en het laatste afscheid verschrikkelijk emotioneel, maar op de een of andere manier helpt het heel erg dat er een paar mensen bij zijn die wel meeleven maar zelf niet wanhopig zijn en heel rustig uitleggen waar je welk pinnetje in moet draaien, alsof je een soort Ikea kastje in elkaar zet. 

‘Moet ik jou ook op de foto zetten?’ klinkt het naast mij. Ik schud nee.

Hendrikus (‘onze’ uitvaartondernemer) wijst me aan waar ik het beste in de gang kan staan om nog een foto te maken als Gergö en zn moeder de kist richting de auto rollen. Ik zeg iets doms als ‘het laatste ‘loopje’ en ‘het laatste ritje’.
De kist wordt in de auto geschoven; iemand houdt op straat het verkeer tegen als we het terrein verlaten.
Helaas staat er niet even iemand op het laatste stukje van de route naar het crematorium om die twee studenten die blikjes energiedrank aan voorbij fietsende mensen uitdelen een seintje te geven. De wereld draait door.

Bij binnenkomst moeten we weer even wachten. Er wordt mij een derde kopje koffie in een uur tijd aangeboden. Ik sla het niet af.

Terwijl Gergö en zn moeder even kijken of alles naar wens is ingericht in ons zaaltje, peins ik nog wat over mijn nieuwe carriere-ambitie en de fantastische hulp die we krijgen. Door het gordijntje zie ik de pastor aankomen. Ik stap het gangetje in, houd de deur voor hem open en heet hem alvast welkom.
‘Ah, u bent de begrafenisondernemer?’ vraagt hij vriendelijk. 

De plechtigheid begint, en het is mooi. Gergös speech is zó knap geschreven, zo sterk, eerlijk en krachtig, en steeds komt de ‘doei doei’ terug, de groet die mijn schoonvader altijd gebruikte als je binnen kwam lopen (ja, dat heb ik correct opgeschreven).

Voor ik het weet, drie keer vijf minuten klassieke muziek later en wat woorden van de pastor, is het voorbij.

Mijn schoonvader wist niet dat hij voor het laatst de trap af liep. Voor het laatst wakker was geworden in zijn bed, voor het laatst zijn tanden had gepoetst en voor het laatst de deur achter zich had gesloten om in de taxi naar het ziekenhuis te rijden.
En nu glijdt hij daar over een railsje achteruit de ruimte uit en onttrekken twee zeer mechanisch klinkende gordijnen hem aan ons zicht.

Doei doei, dat was het dan.

Omdat wij de enige aanwezigen zijn (op wens van mijn schoonvader), staan we zo weer in de wachtruimte. We bespreken de laatste dingen met Hendrikus en voor ik het weet zit ik in de auto, met een bloempot tussen mn knieën, één bloemstuk in mijn nek op de hoedenkap en nog een naast mij.
Als we wegrijden zwaai ik naar de twee medewerkers die ons vanuit de deur groeten. Het was veel, maar bovenal een mooi afscheid.

De opleiding tot begrafenisondernemer duurt overigens zo’n drie jaar. 

De tweede ‘eerste date’

’Nu? Op zaterdagavond?’ zegt de ober.
Hij fronst. ‘ZONDER een reservering?’ 

We knikken een beetje sullig en negeren het duidelijk overvolle restaurant waar op iedere nog vrije tafel een ‘gereserveerd’ bordje prijkt. 
Zal ik even zeggen dat het onze eerste echte date is sinds Dakota er is?

’Kom maar mee,’ zegt de ober. ‘Ik heb hiernaast nog wel plek. Daar zit nu nog niemand, maar dat komt straks wel.’ 
Voordat wij elkaar aan kunnen kijken loopt hij voor ons uit een trappetje op en de gang door, wij volgen braaf. 

Hij zwaait de deur naar de ontbijtzaal open: een grote, lege, stille ruimte. 
Zelfs de tafeltjes, alvast gedekt voor morgenochtend, lijken ons chagrijnig aan te kijken dat we hun rust komen verstoren. 
We kiezen een plekje bij het raam, krijgen een menukaart aangereikt, en dan zijn we alleen.
Onmiddellijk doorbreekt ons lachen de stilte. Daar zitten we dan, met zn tweeën in een helemaal lege zaal waar je een speld kunt horen vallen. Geen muziek, geen gezelligheid, niks. Super romantisch!

‘Leuke boekenkast, hé?’
‘Ja, en er hangen ook gordijntjes voor de ramen.’ 
‘En heb je gezien dat er daarachter óók een deur zit?’

Geforceerd proberen we de drukkende stilte te negeren en een gesprek op gang te brengen.
‘Kunnen we dit überhaupt nog?’ vraagt Gergö zich hardop af.
Ik tuur naar de menukaart: ‘Als ze maar wel friet hebben, daar heb ik zó’n vreselijke zin in,’ mompel ik.

De doodse stilte wordt al snel doorbroken. 
Eerst door een jongen die precies aan de buitenkant van ons raam in gestaag tempo nonstop een voetbal tegen de muur trapt. Kort daarop door een gezin van ouders met een klein kind die in dezelfde val als wij zijn getrapt en enigszins perplex binnen komen lopen.
Zou het dan toch nog gezellig worden? 

‘Als je dit niet doet, krijg je geen patat,’ klinkt het een minuut later.
‘Ach kijk, wat leuk, ze hebben de kerstboom nog buiten staan,’ zeg ik tegen Gergö.
‘Als je zo stom doet pak ik dit van je af,’ weerkaatst het vanaf de andere kant van de ruimte. En een minuut later:
‘Ja doei, je hebt zelf gezegd dat je het niet wou dus nu krijg je ook niks meer, dat is je eigen schuld hoor. Doe even niet zo irritant de hele tijd.’ 

Gelukkig zet de ober een muziekje aan. Eerst veel te hard, maar na een korte check in de zaal doet hij het weer zachter.
Jammer.

‘Mag ik mijn gerecht met patat in plaats van aardappels?’ vraag ik als onze bestelling wordt opgenomen. Ik gluur even opzij naar het gezin, maar blijkbaar ben ik braaf en mag ik wel patat want er komt geen sneer.  
Ongeveer dertig minuten later volgt het eten. Zonder patat, en met gebakken aardappels. 
‘Ik heb eigenlijk patat besteld,’ zeg ik tegen de (overigens weer andere) jongeman. 
‘Oh, natuurlijk! Ik regel het meteen voor u!’  
Vijftien minuten later loopt er iemand langs. ‘Smaakt het?’
‘Ja lekker, en ik wacht nog op mijn patatjes’ antwoord ik vriendelijk.
Hij schrikt. ‘Oh, oké! Ik zal even kijken.’ 

We besluiten dat ons toetje een wandeling in de buitenlucht wordt. En met het bewegen van onze spieren komen ook de gesprekken los. We voeden onze mentaal met verbinding en samenzijn, terwijl de wind om onze oren suist. 
‘De volgende keer gaan we gewoon naar de snackbar, en daarna gelijk wandelen,’ zeggen we bijna tegelijk. 

’s Avonds snuffel ik dankbaar aan Dakota’s pluizige blonde koppie terwijl ze naast mij in slaap valt. Ik denk terug aan de trits van dreigementen die ik eerder hoorde. Op zulke moment ben ik het meest dankbaar voor de weg die wij gevonden hebben.
Ik wacht overigens nog steeds op de patat.