In het zonnetje

Een blog over een boerderij? Bij Anke? Ja, misschien verrassend, want we steken het niet onder stoelen of banken dat we het liefst zo vegan mogelijk leven en dat we het niet zo hebben op ‘het boerenleven’ zoals het er tegenwoordig meestal uitziet. Des te meer reden om vandaag mee te lezen hoe ik twee toffe mensen in het zonnetje zet 😉

Ongeveer een jaar geleden begonnen wij een langzame transfer van vegetarisch naar vegan.  Inmiddels eten we thuis eigenlijk voor 99 procent vegan. Onderweg doe ik wat ik kan, maar ik doe niet moeilijk over vegetarisch eten als het zo uitkomt, bijvoorbeeld als we de bergen ingaan. Gewone melk moet ik echt niets van hebben en dus heb ik wel altijd haver- of sojamelk bij me voor de koffie, maar een ijsje heb ik dan gek genoeg weer niet zoveel moeite mee. 

Sinds we dit avontuur zijn gestart, heb ik best wel een hekel aan boerderijen gekregen. De peuter wil nog wel eens graag bij de koeien kijken en ik vind het altijd vervelend voelen. Het idee dat die dieren alleen leven om geïnsemineerd te worden waarna hun kalfje altijd direct wordt afgepakt, om dan na een paar jaar op zeer stressvolle wijze naar de slachterij te gaan, vind ik echt heel erg rot. 

Wel moet ik zeggen dat de beeldvorming die je hierover vaak op internet krijgt niet helemaal eerlijk is; ik kreeg van daaruit het idee dat koeien altijd moord en brand gillen als hun kalfjes worden weggehaald, maar Jacqueline legde mij uit dat dit júist als ze direct worden weggehaald bij hen op de boerderij niet gebeurt. Zij vinden dit weghalen overigens net zo goed lastig. Op dit moment is er op hun boerderij geen andere oplossing door de regelgeving van de overheid en kiezen ze ervoor het te doen zoals ze het nu doen. 

Het is alweer even geleden dat ik met Jacqueline van Makor in contact kwam en ik raakte met haar in een mooi gesprek met wederzijds begrip over dit onderwerp. Zij is aromatherapeut en kruidengeneeskundige en studeert op dit moment ook nog voor klinisch kruidengeneeskundige en orthomoleculaire voedingsleer. 
Ze woont met haar man Marco op een biologische, regeneratieve boerderij. Dat houdt bijvoorbeeld in dat hun bodem helemaal onbewerkt is. Ze gebruiken dus geen gewasbescherming (pesticiden) en halen met de hand of schoffel onkruid weg. 
Ze vergroten de biodiversiteit en creëren juist vruchtbare bodemgrond ipv het ‘op te gebruiken’. CO2 wordt opgevangen in plaats van uitgestoten, vervuiling en afval geminimaliseerd en er wordt gebruik gemaakt van eigen bodemwater en duurzame energie. 

Zo’n boerderij is heel uniek, want hiervan zijn er op dit moment nog niet zoveel in Nederland. Veel gangbare en biologische boeren geloven dat deze manier van boeren op bepaalde grond niet kan, maar het kan echt op alle bodems: van klei tot zand tot veen. 
Dit is allemaal al heel bijzonder, maar ik vind dat ze zich vooral groots onderscheiden in hoe ze met hun koeien omgaan. 
Marco kent ze alle 90 bij naam en je zou Jacqueline eens moeten horen praten over hoe het is om na 14 jaar afscheid van een koe te nemen. 

De koeien van Marco en Jacqueline zijn 8 tot 8.5 maanden per jaar buiten. Campina beweert tegenwoordig op hun verpakkingen dat hun koeien 120 dagen per jaar buiten zijn, maar die koeien grazen niet buiten: ze ‘zijn’ er alleen. Campina beweert overigens ook dat je als biologische boer geen toekomst hebt omdat er te weinig vraag naar biologische boer-producten is, maar er is juist een tekort. Wist je trouwens dat bijna 70 procent van de niet-biologische melk uit NL wordt geëxporteerd? 

Ik vind het systeem zoals het is niet goed en dat vinden Jacqueline en Marco ook. Die overmatige consumptie en de idiote, agressieve en onnatuurlijke manier waarop er met dieren en natuur wordt omgaan, deed mij en Gergö beslissen om zoveel mogelijk vegan te leven. Jacqueline heeft zelf ook jaren vegan gegeten, maar werd er hartstikke ziek van. Na een hele lange zoektocht heeft ze nu een voedingspatroon gevonden wat voor haar werkt en ze schrijft ook vaak over het feit dat het met eten nóóit ‘one size fits all’ is. 

Dat kan ik volledig beamen. Mijn zusje Sarie mag geen melkproducten en kan absoluut niet tegen peulvruchten. Alle soorten erwten, bonen, etc. én ook heel veel noten (en nog een lijst van 60 andere dingen) kan ze slechts in piepkleine beetjes eten, te weinig om haar lichaam te onderhouden. Zij zegt altijd: ik eet vegan, maar wel een stukje vlees. Ik begrijp en respecteer dat. 

Ik ken geen boerenmensen die zó begaan zijn met hun dieren als Jacqueline en Marco. 
Treft deze dieren uiteindelijk hetzelfde lot? Ja. Vind ik dat oké? Nee, echt niet, ik vind dat héél moeilijk. Maar echt; áls ze dan ergens op een boerderij moeten zijn, dan alsjeblieft bij Jacqueline en Marco, waar ze voor de eerste dag dat ze in de lente weer naar buiten mogen opletten of het niet te zonnig is zodat ze hun uiers niet verbranden <3 (hoe lief is dat)  en de dieren in de herfst ’s avonds zelf terug naar de stal komen lopen.

De koeien van Marco en Jacqueline gaan naar een kleinschalige slachter, waar maar een paar koeien per keer worden geslacht. Ze komen gegarandeerd in biovlees terecht en niet gemengd met gangbaar vlees. Van de overheid moeten ze wel meer koeien wegdoen dan hen lief is, maar de kalfjes die ze niet mogen houden gaan naar een biologische klaverboerderij waar ze buiten lopen, biologisch gras en voer krijgen, etc. 

Voor mij is het niet zwart-wit. Dat vond ik eerst wel, maar als ik goed naar mensen luister zie ik dat iedereen zijn best doet er wat van maken. Volgens mij is dat het beste scenario dat we allemaal de stappen nemen die in onze mogelijkheid liggen om er wat beters van te maken en voor ons betekent dit zoveel mogelijk vegan eten en anders vegetarisch. Maar: begrijp ik dat de Inuït grotendeels van vis leven? Ja en ik vind dat volledig oké: hun lichamen hebben zich hierop afgestemd. Dat is namelijk echt een dingetje; er zijn zelfs voorbeelden van mensen die voor de buitenwereld een verschrikkelijk eenzijdig dieet lijken te hebben (slechts een paar producten), maar hun lichamen halen er toch uit wat zíj nodig hebben.

Jacqueline staat open voor ieder gesprek en kan er prachtig over vertellen, ik vind de manier waarop zij in een hectische wereld van meer-meer-meer vormgeven aan het boerenleven écht heel dapper en mooi. Jacqueline en Marco zien heil in een weg van kleinschalige, lokale, biologische producten, waarbij er eens in de zoveel tijd een koe voor een bepaalde gemeenschap wordt geslacht. Eigenlijk zoals vroeger dus. 

Van mij mogen alle boerderijen in NL vervangen worden door regeneratieve, biologische boerderijen, dat lijkt me een alvast een prachtige stap op weg naar een natuurlijkere, rustigere en gezondere wereld. 

Je kunt Makor vinden op www.makor.care of op Instagram: www.instagram.com/makor.care 

Boobies

Hoe overleef je 3,5 jaar borstvoeding geven en hoe ziet dat er nu eigenlijk uit, een peuter aan de borst? 

Hoe ons borstvoedingsavontuur begon, schreef ik al eens voor Kiind Magazine. 
Spoiler alert: zoals bij velen niet van een leien dakje. Eerder een dak met grote hobbels, sneeuwhaken en missende dakpannen.
Nu wil ik in deze blog ingaan op een ander onderdeel van het avontuur en dan met name de vraag: Wat voor rare eenhoorn ben ik wel niet dat ik mijn peuter van 3,5 nog aan de borst hebt? 

In ons verhaal komt niet één fles voor. Dat is mega uitzonderlijk, I know, maar kolven was gewoon nooit nodig. In Duitsland ben je sowieso een jaar thuis met je kindje, velen zelfs anderhalf jaar en sommigen (waaronder ik) zelfs drie jaar tot het begin van de Kindergarten. Borstvoeding was bij ons dus altijd een live uitzending, nooit vooraf opgenomen.

Borstvoeding legt onder andere een beschermende laag in de darmen en als daar vóór 6 maanden andere stoffen bijkomen, al is het maar één hapje, ziet het lichaam dit als vijandige stoffen die deze laag aantasten (voor een interessante blog met de wetenschappelijk achtergrond hierbij, lees: https://groenevrouw.nl/blog/darmrijping-eerste-hapjes-bijvoeding

Deze aantasting is gelukkig niet onomkeerbaar, de laag geneest ook weer als het daarna weer bij moedermelk blijft, maar dit was dus de reden dat wij pas vanaf 6 maanden begonnen met vast voedsel en wel volgens de Rapley methode. Dit betekent dat je kindje op maat met de pot mee-eet met wat jij eet en zelf aangeeft in welke mate ze vast voedsel en melk willen eten. Een natuurlijke verloop dus, precies wat zo goed bij ons past. 
In Nederland is de ‘Kleintjes methode’ een variant hierop. Daarbij worden voedselgroepen nog wel op een bepaalde volgorde geïntroduceerd, bij Rapley is bij wijze van de enige ‘regel’ dat je natuurlijk je kind van 6 maanden geen pinda’s gaat geven. 

Rond een half jaar begon ons meisje dus met ons mee te eten en ik wil even een moment van stilte voor hoe geniaal dit was. Of misschien beter een moment van hard juichen. 
Uit eten gaan was een feestje, want je kon altijd wel iets vinden wat je kon delen. Mexicaans, Italiaans, uitgebreid ontbijten, niks was te gek en alles deden we echt sámen.
Zo gezellig! Eten werd vanaf het begin onderling gedeeld en uitgewisseld en dit merken we nu nog. Dit werkt heel erg verbindend en is een mooie, natuurlijke manier van het laten zien van delen, ergo: saamhorigheidsgevoel. Daarnaast zijn kinderen erop geprogrammeerd om te willen proeven wat wij proeven, want dat is blijkbaar veilig voedsel. 
Hallo, logisch! En I love logisch!

Goed; bij de Rapley methode gaat de verloop van melk naar voedsel dus op natuurlijke wijze en dat betekent, net als bij ieder ander kinderbrein-onderwerp: véél langzamer dan de hectische maatstaven en doelen die de huidige maatschappij ons voorschrijven.  En ja, sorry, een boel consultatiebureaus inclusief, met uitspraken als ’als je niet met 3 a 4 maanden begint, krijgt je kind sneller allergieën’. Het idee dat je rond de 3 a 4 maanden zou moeten beginnen met fruithapjes, is gebaseerd op marketing van babypotjesfabrikanten. Veel mensen denken dat hun kind er rond die tijd heel erg aan toe is om hapjes te proberen, maar het kopiëren van onze kauwbewegingen en de interesse in voedsel betekent niet dat het persé gezond voor een babylijfje is om al iets anders als melk toe te voegen. 

Bij de Rapley/Kleintjes methode, ga je helemaal af op wat het kind aangeeft. Laat je hen zelf hun lichaam verkennen en geven ze zelf per dag aan in welke mate ze melk en in welke mate ze vast voedsel willen hebben. Rond een jaar werd er bij ons dus nog steeds voornamelijk veel moedermelk genuttigd. Sommige dagen probeerde ze een boel vast voedsel en andere dagen helemaal niets. Maakte niks uit, want er was altijd die prachtige back-up van moedermelk. Ik heb mij nog nooit een minuut zorgen hoeven maken over wat mijn kind binnenkrijgt, wat voor luxe is dat?!

Langzaam werd er steeds meer gegeten, daar getuigden de triomfantelijke restjes in haar poep van ;), maar er was nooit een reden om de borstmelk weg te halen. De balans was altijd perfect, ze gaf alles zelf aan en voor we het wisten waren we hier al beland: een peuter van drieeneenhalf aan de borst. 

Goed, hoe ziet dat er nou eigenlijk uit? 

Nou, allereerst: haast niet, want de momentjes beperken zich op dit moment voornamelijk tot het slapen gaan en wakker worden en soms even als troost. Ik denk dat veel mensen, ook familieleden, niet doorhebben dat ik überhaupt nog voed want ik loop gewoon niet de hele dag met mijn borsten uit mijn shirt te zwaaien en als ik mensen niet prettig vind of niet goed ken doe ik het sowieso niet, want dat voelt niet ‘veilig’ op de een of andere manier. 

Met drie jaar kun je natuurlijk al echt overleggen en kunnen ze ook prima een tijd zonder. Totdat ze een jaar of twee was voedde ik echt nog wel overal, maar nu met drie bijvoorbeeld niet meer op een terras of in een restaurant. Héél soms vraagt ze er daar om, maar dan verklaar ik op authentische wijze dat ik dat niet fijn vind. Ik denk dat dit deels toch wel komt omdat ik nu rond drie jaar mij wel écht een totale aliën voel, maar ik voel ook niet meer de behoefte om mijn peuter op schoot aan de tiet te heisen terwijl iemand tegenover mij patat zit te eten, terwijl ze op zo’n moment binnen drie seconden met iets anders af te leiden is. 
In de drager of buiten op een bankje maakt me dan weer niet zoveel uit, dit doen we ook vaak als we een hele dag op pad zijn in de bergen en er een dutje nodig is. 

Verder hebben we de ‘tot tien tellen’ regel: als ik geen zin meer heb of het vervelend vind, dan tel ik heel rustig tot tien en dan is het klaar. Dit werkt echt als een trein voor ons, ze heeft het nog nooit niet gerespecteerd en ze biedt dit zelf ook aan als ik überhaupt even geen zin heb, maar zij slokkies wil: ‘we kunnen wel even tot tien tellen?’

Ik vind het op dit punt héél fijn dat het er nog is (het reguleert ziekte, emoties, troost, honger en dorst, nogmaals: wat een luxe!) én tegelijkertijd heel fijn dat ze ook rustig twaalf uur zonder kan. Waar ik de eerste twee jaar mijn kleding toch wel 100 procent beperkte tot ‘moet handig zijn om borstvoeding mee te geven’, trek ik nu gewoon die leuke kersttrui met hoge hals aan en zorg ik voor het noodgeval dat ze toch ineens slokkies wil dat ik er een hemd onder draag. Ik ben expert kleding omhoog krullen en wegvouwen, óók in de winter met peuter voor op de buik in een drager en ik vind serieus dat hier medailles voor zouden moeten bestaan. 

Er zijn nog steeds dagen dat ik aan de frequentie van de momenten dat ze slokkies wil niet het idee heb dat er iets afloopt, maar aan de toeschietreflex merk ik dit zéker wel want die voel ik extreem duidelijk (ik heb zo’n toeschietreflex die een paar seconden heel vervelend voelt) en dat heb ik denk ik nog maar 1x op een dag eerlijk gezegd. 

Altijd de ideale voeding op maat bij je hebben is echt verslavend en ik ben blij dat we het tot nu toe zo natuurlijk af kunnen laten lopen. 
Lekker anders dan anders, dit, dat past wel bij ons 😉 

Nog een paar wist-je-datjes: 

De toeschietreflex betekent dat de melk begint met stromen. De tepel wordt tot wel 5 centimeter uitgetrokken waardoor de melk recht in de keel spuit. Er is óf deze optie, of droog sabbelen. Niet zoals bij een flesje een beetje niks doen en dat er spul de mond in stroomt en tussen de tanden loopt. Borstvoeding is hard werken! 

– De natuurlijk ‘wean’ leeftijd ligt tussen de twee en de zeven jaar. Op een gegeven moment als kinderen tanden gaan wisselen verliezen ze automatisch (langzaam) het vermogen om aan de borst te kunnen zuigen. 

– Ik ken iemand met vier kinderen aan de borst; een tweeling van twee en nog twee daarboven. Haar oudste vraagt er nog hoogstens 1x per week om. 

– Als borstvoeding natuurlijk mag aflopen gaan er op een gegeven moment steeds meer dagen tussen zitten dat ze er niet om vragen, het stopt eigenlijk nooit plotsklaps. Is dat zo (zeker onder een jaar!) dan kan het zijn dat er sprake is van een tijdelijke borst-staking, maar heel vaak komt het doordat je er tegenwoordig meestal niet aan ontkomt dat er van buitenaf wat met het proces geknutseld wordt. Which is fine 🙂 

Kamperen?

‘Wist je dat op een camping in Spitsbergen kortgeleden een Nederlandse toerist is omgekomen? Opgegeten door een ijsbeer.’ 

Terwijl ik geniet van een laatste warme douche in het comfort van mijn eigen badkamer, spreekt Gergö mij ‘bemoedigend’ toe over ons aanstaande eerste kampeeravontuur. Geboekt is een tent op een camping in de buurt van de Flying Fox XL: een enorme zipline. Een spontane actie, maar we hebben nog een bon liggen en willen die hiervoor gebruiken. 

We pakken onze spullen in de auto en proppen ook onze kussens en dekbedden er nog bij in. De thermos worden gevuld met koffie en we gaan een laatste keer naar het toilet zonder naar een ander gebouw te hoeven lopen. Klaar voor avontuur, het ruige leven!
Eenmaal op de snelweg komt de regen met bakken uit de hemel. Grijze mistflarden tussen de bergen geven ons eerder het gevoel dat we Mordor uit Lord of the Rings binnenrijden in plaats van de Oostenrijkse alpen.’Wat zegt het weerbericht?’ vraagt Gergö. 
Ik kijk. Code oranje vanwege harde windstoten.
‘Ach ja, je weet wel, the usual,’ zeg ik nonchalantjes. Niets gaat dit avontuur in de weg staan.
We passeren een boel campers op de snelweg en allemaal hebben ze één ding gemeen: iedereen zit met een enorm fronzend gezicht uit het autoraam naar de lucht te kijken. 
‘Gaan we dit echt doen?’ zie je ze denken. Oh nee, dat waren wij. En we zeiden het hardop. 

Ja hoor, we gaan dit echt doen! We zouden geen Anke en Gergö heten als we deze kleine hobbel niet gewoon totaal negeren. Wel google ik stiekem alvast naar het hotel dat aan de camping vast zit. Gewoon voor de zekerheid. 

Halverwege de rit stoppen we bij een prachtige waterval voor een wandeling en een lunch en tot onze grote vreugde zitten we, geheel tegen de voorspelling in, buiten in de zon! 
Anderhalf uur later rijden we vol enthousiasme de camping op, klaar voor avontuur in de wilde natuur. Het eerste dat we tegenkomen is een midgetgolfbaan en daarna een luxe zwembad, maar hé, kan een gebeuren. We checken in, zien gelijk al vijf Nederlandse auto’s staan, en lopen over een keurig recht straatje naar ‘onze’ tent. ‘Wow, die tv is groter dan die van je ouders!’ wijst Gergö naar een caravan. ‘En kijk! Die mensen hebben zelfs hun thermomix meegenomen?!’

Even later zitten we voor onze tent. Nog steeds in ontkenning dat de camping niet helemaal is wat we dachten dat het zou zijn en klaar om het echte buitenleven te beleven. ‘De trein naar het centrum vertrekt over vijf minuten, herhaling: de trein naar het centrum vertrekt over vijf minuten,’ schalt er uit een luidspreker. 
Gergö kijkt mij aan, ik kijk stoïcijns voor me uit en slurp van mijn thee. Als ik gewoon geloof dat dit een ruige camping is, dan is het een ruige camping. 
Tien minuten later zwelt er een gebrom aan in de verte en op het moment dat er een soort attractiepark-treintje aan onze tent voorbij, volgeladen met blij om zich heen kijkende toeristen houden we het niet meer vol en schieten Gergö en ik allebei keihard in de lach. 

Pas ’s avonds als we in bed liggen worden we toch nog een beetje getrakteerd op Spitsbergen-achtige scenario’s. De natuurcamping annex vinexwijk verandert in een ijzig koud oord waar de regen in enorme mitrailleursalvo’s vanuit de boom op ons tentdoek landt. De tent lekt op drie plekken, maar gelukkig niet in ons slaapvertrek. Naast ons huilt een buurkindje (een ukkie nog) de hele nacht.

De volgende dag houden we de moed erin. Het heeft de hele nacht geregend, maar nu is het droog. De buren vertrekken en wij maken een prachtige wandeling  in de bergen. Terug op de camping leven we onze omroep Max ‘We zijn er bijna droom’ verder en gluren we glunderend naar binnen bij de woonconstructies die mensen hier met een camper of tent hebben gemaakt. Sommige onderkomens doen nog het meeste denken aan een Staphorster huisje, inclusief vitrage-raamwerkjes voor de ‘ramen’. 

‘Dit is geen tent, dit is een hotel zonder muren!’ zeg ik als we de tweede avond bij kaarslicht en opnieuw heftige regen op een plastic stoel zitten te kleumen. Zachtjes smeden we plannen om onze eigen spullen te kopen. Écht kamperen, willen we! Zonder thermomix en toeristentreintjes! Het zwembad en de sauna’s die bij de camping horen zijn zalig, maar als we luxe willen, boeken we wel een hotel. Kamperen moet kamperen zijn. Niet half half- maar all in! Dat past het beste bij ons. 

De volgende ochtend spijbelen we en vluchten we in onze pyjama’s met regenlaarzen naar het hotel dat we hebben uitgezocht en genieten van een afschuwelijk duur maar héérlijk uitgebreid ontbijtbuffet. Nog nooit voelde warmte zó lekker. Nog nooit was ik zó blij met mijn kopje soja cappuccino. 

En daarmee heb ik alvast één ding ontdekt wat ik geweldig vind aan kamperen: totaal afzien en daarna weer heel blij zijn met kleine dingen. 

To be continued!

Link naar het stukje van mijn oom over hoe hij Corona overleefde + blog


Let wel: bovenaan staat een foto van op de IC (nadat hij uit zijn coma is gehaald) die je als confronterend kunt ervaren.

https://www.linkedin.com/pulse/ik-heb-corona-overleefd-gerwin-jonker?articleId=6707269582526136320#comments-6707269582526136320&trk=public_profile_article_view

Hierbij mijn blog naar aanleiding van het stukje van mijn oom. Geschreven voor Instagram, maar het leek me goed om het ook hier er even bij te plaatsen:

Om direct met de deur in huis te vallen: ik vraag mij wel eens af hoe de boodschap dat kinderen een trauma oplopen van mondkapjes in de samenleving klinkt voor mensen die iets in hun gezicht hebben. 

Mondkapjes. Wij dragen ze nu vanaf april in alle gebouwen waar we binnenlopen. Soms denk ik dat ik het gewend ben, maar ook ik loop nog steeds wel eens per ongeluk bijna ergens naar binnen zonder. 

Onze peuter interesseert de mondkapjes en de afstandsregels geen hol. Voor haar is het belangrijk dat de ijssalon weer open is en of we daar bloot heengaan of met een grote clownsneus  op interesseert haar oprecht niet. ‘Dat is voor het virus, hè mama?’ zegt ze dan. ‘Maar we mogen heel veel dingen wél doen!’ 

En zo is het voor haar echt. Ze kan spelen met haar vriendjes, knuffelen met haar naaste familie en zich onbeperkt op haar eigen tempo ontwikkelen. Ze mag weer naar haar geliefde muziekles en geniet net zo hard als altijd. Voor mij was het zingen met mondkapje in het begin dan weer wel een beetje raar en ergens vond ik het ook wat emotioneel, omdat het zo’n punt is dat je je realiseert dat de wereld er momenteel anders uitziet dan voorheen. 

Een kind raakt getraumatiseerd van emoties moeten onderdrukken. Van onveilig opgroeien. Van niet mogen huilen. Van oorlog en pijn. Van je vader of opa die naar de IC verdwijnt en nooit meer terugkomt. Ik heb bij mijn werk met de vluchtelingen dagelijks getraumatiseerde kinderen in mijn groepje gehad en als ik naar mijn eigen guppie kijk zie en voel ik alleen maar vrijheid en ik ben extreem dankbaar met hoe dit voor ons gaat.  

Ik deelde in mijn stories (zie link in bio) het heftige stukje van mijn oom die corona overleefde. Bij hem viel het kwartje de goede kant op en zijn vrouw en kinderen konden hem weer thuis ontvangen.

Zijn verhaal komt keihard binnen en symboliseert voor ons de reden dat we ons echt zo goed mogelijk aan de regels proberen te houden die we krijgen. Ja, dat kan betekenen dat we bepaalde maatregelen langer volhouden dan misschien nodig is, maar wie zal het zeggen? Je kunt niet even honderd mensen dood laten gaan om dat uit te testen en in een land met miljoenen mensen is er tijdens een pandemie niet de luxe om voor iedereen apart een eigen setje regels maken. 

Dit is wie wij zijn. Dit is ons verhaal. Willen wij verandering dan stemmen we anders of zetten we ons politiek in. Steken we de ‘het moet anders’ energie die we voelen in het van ons laten horen. Mijn moeder heb ik overigens gewoon een korte knuffel gegeven toen ik haar weer zag na een paar maanden, normaal gesproken zit ik ook niet de hele dag bij haar op schoot dus dat was voor ons gelukkig prima verder. 

Dit voelt als een kreet tegen de zee vanaf een leeg strand, want ik weet dat de mensen die dit niet willen horen het niet gaan horen of me zelfs zullen ontvolgen. Heb je een andere mening en heb je dit toch helemaal gelezen? Dan maak ik een diepe buiging voor je.

Limbo.

De dutjeslimbo. Ik had het al beloofd: ik zou hier nog even wat woorden over schrijven. Eigenlijk wilde ik het op Instagram plaatsen omdat het daar beter past, maar er kwam ineens een soort spraakdiarree naar buiten die daar qua woordenaantal niet paste.  

Bij iedere overgang naar minder dutjes, hadden we altijd wel een paar weken wat hobbels, maar de hobbel van een middagslaapje naar geen slaapje is toch wel ongeveer zo groot als de Mount Everest opgestapeld op de Kilimanjaro. Ook toen ons guppie van twee naar één dutje ging, hadden we een tijdje dat ze (voor haar doen) relatief laat ging slapen: rond een uur of 21u. Dat vond ik toen héél laat, nu noem ik dat een reden om de champagne uit de kast te trekken. 

Het is als volgt: 
Doet ze een dutje, al is het maar twintig minuten om 12.00 u. ’s middags, slaapt ze ’s avonds pas tegen 22.30 u. Opzich niet erg, we doen samen als gezin vaak leuke dingen in die avonduurtjes en ze slaapt dan tot ongeveer 8 uur ’s ochtends, wat prima is, maar als nachtslaap is het voor haar te kort. Nachtslaap is natuurlijk ook gewoon echt van een andere kwaliteit dan een middagdutje. Dit betekent dat ze de volgende dag super chagrijnig is en het niet volhoudt zonder middagslaapje, en hups zo zit je in een vicieuze cirkel. 

‘Nou, dan laat je haar gewoon geen dutje doen,’ is het advies van mensen die denken dat je de allermeest voor de hand liggende oplossing niet allang zelf hebt uitgeprobeerd. Het dingetje is: als ze niet slaapt, is ze ’s avonds om half 8 onderzeil, maar dan is er ’s nachts vaak gigantisch gespook (twee uur wakker midden in de nacht, dat soort dingen die we normaal nooit hebben) en gaat het met het humeur snel bergafwaarts en na twee of drie dagen valt ze dan sowieso ’s middags gewoon in slaap.

Limbo, dus. En die limbo duurt al máánden. 

Het gekke is: als ik rondvraag, loopt bijna iedere peuterouder hier in meer of mindere mate tegenaan (tenzij je ze gewoon gedwongen op bed legt om 19u en ze het daar zelf uit laat zoeken, maar dat tel ik niet als ‘mijn kind ligt er netjes om 19u in) Ook hier in ons dorp, waar een groot deel van onze mede-peuterouders niet persé met natuurlijk ouderschap heeft, loopt tegen deze hobbel aan. 
Zelfs mijn oma weet zich dit fenomeen nog te herinneren, nou… dat zegt wel wat. 

Dus ja, wat doe je dan? 

Je roeit met de riemen die je hebt. Met een hele grote thermo koffie in je roeiboot. 
Soms zijn er een paar dagen dat we denken: yes! Ze is er vanaf! Ligt ze lekker op tijd op bed, hebben wij de avond voor onszelf en slaapt ze heel oké. En dan ineens slaat de kano weer om en proberen we wanhopig wat restjes geduld en waardigheid uit het water te vissen, terwijl we onszelf op het droge proberen te krijgen. 

Als ouder heb je de verantwoordelijkheid om kinderen op de vlakken waar zij persoonlijk hulp bij nodig hebben te helpen. Ruimte te creëren. Dat is precies wat we doen, en dat gaat prima. 
Waar de één op een bepaald vlak met een elektrische fiets over een asfaltpaadje sjeest, voelt het voor jou misschien alsof je je met een driewieler met je knieën tegen je neus aan over een mul zandpad vol kuilen rijdt. 

En dat is oké. Meer is er soms gewoon niet te zeggen. 

Fossiel.

Soms heb je het gevoel dat je niets veranderd bent en dan zie je ineens een foto op een mok van  en spuug je bijna je koffie uit omdat je je realiseert dat je echt een fossiel bent in vergelijking met tien jaar geleden. Soms denk je dat je nog goed aansluit bij jong volwassenen en dan ineens zegt je nichtje van achttien ‘Ja, die kerel was echt al oud. Wel dertig, ofzo.’ 

Opzich is het helemaal niet zo’n lastig begrip, die tijd. Ook onze peuter begint er langzaam een beter idee van te krijgen en noemt alles wat nog gaat gebeuren ‘morgen’ en alles wat geweest is ‘gisteren’.
Tijd is prima te bevatten, tot we het gaan hebben over gevoelde-tijd. Leeftijd, bijvoorbeeld. Dat lijkt te gaan als een elastiekje dat je heeeeeel langzaam naar achteren trekt en dan ineens wegschiet. Als we het over leeftijd hebben, is alles ineens heel dubbel. Ergens voelt het alsof de jaren ons zomaar uit de handen glippen, maar aan de andere kant kom je als mens ook steeds beter tot je recht, omdat je meer tot je eigen kern komt beleef je dingen intensiever.   
Het wordt makkelijker, want je leert kiezen voor wat je echt wilt, maar ook moeilijker, omdat je er steeds meer bagage bijkrijgt. Je krijgt meer dingen om je zorgen om te maken, maar ook meer vaardigheid om met zorgen om te gaan. 

Deze vakantie op het strand van Schiermonnikoog had ik ineens een ‘fossielmoment’. Dat begon met het feit dat bij duinovergang naar ‘ons’ soort van halfverborgen strand, het strand waar eigenlijk alleen de vaste badgasten en locals komen, vol stond met fietsen. Ik denk wel tweehonderd. Driehonderd misschien zelfs wel. Nog nooit in dertig jaar heb ik hier zoveel fietsen zien staan. Misschien deels te wijten aan Corona en het feit dat heel NL in plaats van naar een uitgestorven bos van een miljoen hectare in Duitsland nek aan nek op veerboten naar de Waddeneilanden trok, omdat thuisblijven veiliger is, maar toch: de kindernostalgie die ik in mijn hoofd bij dit strand heb, was dit jaar deels weg. 

Terwijl lifeguards in hun jeep voorbij reden (‘ons’ strand heeft geen voorzieningen, is puur natuur, maar ze patrouilleren soms langs de kust), een boot die vanuit Monaco een beetje verdwaald leek te zijn in de branding dobberde en er zelfs twee jetski’s voorbij kwamen, zag ik in mijn hoofd ineens een soort sepia gekleurde, flikkerende super-8 beelden voor me van hoe wij hier als kinderen in de golven sprongen en er bijna niemand was. 
Broodje zand, badpak half tussen je billen, en een fototoestel met een echt rolletje in je tas. 

Vrijheid, blijheid, vroeger. Toen je nog (grootste attractie van het jaar) in de kar achter de auto mocht staan om naar de garage een paar honderd meter verderop te rijden. (Oké, eigenlijk denk ik niet dat dit ooit mocht, maar snappie?) 
Ineens realiseerde ik mij, heel even maar, dat er stukjes weg zijn, die niet meer terugkomen. En dat er vanaf nu steeds meer van dit soort stukjes bij gaan komen, tot het er zoveel zijn dat ik alleen nog maar daar over kan praten en ik mijn eventuele kleinkinderen eindeloos verveel met verhalen over vroeger. 

Nou goed, nadat de tijd mij even als een golf oppakte en hulpeloos meesleurde, sprong ik overeind en greep het sup-board bij de lurven. Want waar de tijd zich misschien niet laat temmen, bepaalt zolang je gezond bent niemand wat je behoudt en wat er uit je handen glipt en bij ons is iedere dag een avontuur. 

Dus ja, de zomer op het strand was anders. Het bestond uit veel fietsen, veel mensen, jetski’s en een veel te hippe boot. Uit veel emmertjes water halen omdat de peuter bang was voor de zee en onder de parasol haar my little pony’s in bad deed, en uit samen springen en suppen in de branding. Het bestond uit geocachen en leren van prachtige schrijvers. En over ruim een week hangen we als een vogel in een harnas om met de Flying Fox XXL tussen de bergen door te ziplinen. 

Tijd is een zoektocht. Het is snel en langzaam. Soms is het niet meer dan een woord.
Tijd is een gevoel en je gedachten bepalen je gevoel. Dus bepalen je gedachten de tijd? Ik denk het eigenlijk wel. 

Kapot.

Op velerlei verzoek: een blog over de Duitse variant van het ‘consultatiebureau’

‘We gaan we door een heftige tijd hoor, ze is echt elke twee uur wakker ’s nachts nu voor de borst.’ 
Ik kijk onze kinderarts aan, klaar voor een ontdane reactie. Mijn kind is zo’n 5 a 6 maanden, ik heb het natuurlijk ouderschap nog niet ontdekt (en daarmee alle idiote clichés over baby’s en slapen nog niet in een kano een woeste waterval af laten storten) en verwacht dat de arts wel in shock zou zijn, want mijn kind is duidelijk kapot. Nu al. Ben nog geen zes maanden ouder en ik heb het al verpest. 

In Duitsland heb je geen consultatiebureau, maar ga je vanaf de geboorte tot en met dat je kind veertien is voor alle lichamelijke en geestelijke checks, maar ook met klachten, naar je kinderarts. Eigenlijk een consultatiebureau en huisarts speciaal voor kinderen in één, dus. Voor direct na de geboorte kun je je daarnaast ook nog bij een Hebamme aanmelden die eerst dagelijks en daarna wekelijks thuis komt kijken hoe het met mama en de baby gaat, hoe bijv. de borstvoeding loopt en die vragen beantwoordt, maar dit is niet verplicht en de kinderarts wel. 

De kinderarts knikt vriendelijk naar me. Hij en zijn vrouw runnen samen deze praktijk en hebben zelf drie  kinderen. Ik wacht zijn geschokte reactie nog even af, maar die blijft echt uit. De baby krijgt een brede glimlach en ik een ‘tot de volgende maand dan, hé!’ 
Met toch wel opgetrokken wenkbrauwen sta ik even later weer voor de de deur van de praktijk met mijn guppie blij in de draagdoek.
Dit is toch niet normaal? 

We spoelen even door. Het meiske is drie jaar en we zijn voor het eerst bij onze nieuwe kinderarts in de buurt van München. Inmiddels ben ik groot fan van natuurlijk ouderschap, slapen we nog steeds allemaal samen en is borstvoeding nog steeds niet helemaal weg te denken. Ach ja, en eigenlijk slapen we inmiddels vrijwel alle nachten supergoed. Helemaal als vanzelf gebeurde dat!

We werken ons door de gebruikelijke vragenlijst heen, waarbij de nadruk ligt op: zijn de ouders blij met hoe het gaat. Ik kruis in een woordenlijst aan welke woorden ze zoal gebruikt, het guppie wordt gewogen, gemeten, bloeddruk wordt afgelezen en alles wordt opgeschreven in haar Gele Schrift: het schrift waar haar complete ontwikkeling vanaf de geboorte in is bijgehouden. 
Bij ons ook wel het ’schrift in een ondefinieerbare kleur door de sporen van het dagelijks leven’ genaamd.
‘Heeft ze ook nog een speen?’ vraagt de arts. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Nooit gehad. Ze krijgt nog wel borstvoeding.’ 
Hij knikt. ‘En alle vaccinaties zijn al compleet, zie ik?’ 

Dochterlief speelt op de grond met een puzzel, de arts en ik praten uitgebreid over hoe het met haar gaat.  Hij vraagt naar onze situatie en of we ons goed redden zonder de familie in de buurt. Daarna gooit hij een paar keer een bal naar de peuter, die vol plezier vangt en terugwerpt. De kinderarts kijkt nauwkeurig hoe ze zich daarbij beweegt en legt mij daarna uit waar hij op heeft gelet. We hebben nog even lol over het feit dat Gergö een koud water allergie heeft (ik bedoel… whaha!) en praten wat over mijn schrijven; voor dit jaarlijkse bezoek wordt rustig drie kwartier uitgetrokken en ook een gezellig praatje hoort bij hun beeldvorming van ons gezin. 

Waar je in het begin iedere maand naar de kinderarts gaat voor controle en de inentingen, heb je vanaf 1 jaar minder controles. Met twee en met drie jaar zijn er dan weer een groot onderzoek, die bij wet verplicht zijn en waarbij de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling volledig worden nagegaan.  

Ik heb mij vanaf dag één als een vis in het water gevoeld bij het Duitse systeem. Ik heb in totaal vier verschillende kinderartsen gezien en ons is nog nooit ongevraagd (onjuist) advies gegeven. Voor je staat iemand die jaren medicijnen heeft gestudeerd, gespecialiseerd is in het kinderlichaam en die daar bovenop nog weer extra specialisaties heeft. Zo is onze nieuwe arts ook allergoloog. Nu denk je misschien: kennis betekent niet persé inlevingsvermogen, maar precies dat troffen we steeds. 
(Oké, bij drie van de vier. Over één van de artsen, die we overigens slechts 1x bezochten, kan ik een soort tragikomedie schrijven. Misschien speel ik het een keer na in één van mn stories?)  
Daarnaast waren alle artsen die wij bezochten zelf ook ouder en konden we ook van ouder tot ouder met ze overleggen. De nadruk ligt op: zijn de ouders blij en is het kind blij en gezond. Hoe we slapen, hoe we eten en hoe we ons door het leven bewegen, zal de kinderarts een zorg zijn. Tenzij wíj ermee zitten en ons niet happy voelen. Tenzij hij zou merken dat er iets misschien niet in de haak is of niet goed loopt. 

Super voor mekaar wel, Duitsland! 

En dan nog dit…

Tijdens ons berghut-avontuur schreef ik ook op Instagram nog twee hersenspinsels die ik jullie lezers van mijn blog niet wilde onthouden:

22.30 u. In de verte flitst het onophoudelijk boven het dal, dikke regendruppels vallen op ons houten hutje. Het vuur is net een beetje aan het uitbranden, als er ineens een boel kabaal voor de deur klinkt. We kijken elkaar aan zonder woorden: de koeien.⁣

Koeien gaan hier niet met de kippen op stok. Ook ‘s nachts hoor je de rinkelende bellen af en toe in colonne langskomen, maar dit klinkt anders. Het lijkt wel een religieuze samenkomst met al dat bellengerinkel en we horen ook wat gerammel en gebonk met balken. Gergö pakt een zaklampje en tuurt in het aardedonker vanaf de deur naar buiten om te kijken wat er gebeurt. Twee koeien staan als hitsige pubers samen tegen onze auto aan te schuren, terwijl vier anderen hun kop door ons hek hebben gestoken en elkaar verdringen om aan de spullen op het terras te snuffelen. ⁣

Weet je wat ik lastig vind? Deze koeien op de berg lijken echt een heerlijk leven te leiden, maar ook deze koeien worden geïnsemineerd om vervolgens het kalf direct af te pakken, puur zodat er weer liters van haar moedermelk gepompt kunnen worden voor ons mensen. Alles in overdreven hoeveelheden en op routinematige wijze. Meer, meer, meer, en na een paar jaar afgedankt naar de slacht. Stel je even voor dat we mensen-moedermelk in zo’n beetje alle producten die je je kunt voorstellen zouden stoppen. Say what?! ⁣

En toch doe ik er ook aan mee, want als we op pad zijn neem ik een ijsje. Of Käsespätzle (en dan mag ik blij zijn dat die optie er is, naast alle varkenspoten). Gewone melk in mn koffie doe ik al tijden niet meer, dat krijg ik gewoon niet door mn keel, maar er zijn nog een boel momenten waarbij ik uit gemak en gebrek aan keuze voor iets met kaas kies of gewoon met eieren bak. ⁣

Dus wat ik hier precies wil zeggen, weet ik niet. Ik vind het moeilijk, ik vind het stom, ik hoop dat we steeds meer op een betere manier met onze planeet en de dieren zullen omgaan.⁣

Deze is voor jullie, koetjes.



——————-

Wat ik het meeste ga missen? De koude handjes en voetjes van de peuter op bed tegen me aan gefriemeld, terwijl direct naast ons in het kleine woonkamertje het vuur knettert. Dat gevoel van klein en overzichtelijk. Dat je twee stappen doet en je hele huis door bent. Voor een samen-fan (eerder freak) als ik is dit de hemel. Ik ben gek op verbondenheid en nabijheid dus m’n lievies altijd twee stappen verderop vind ik echt heerlijk.⁣

Dit keer was er echter ook het gekke gevoel dat er 7 potentiële kinderen een paar honderd kilometer verderop in de kliniek ‘lagen’. Call me totaal crazy, maar ik heb nu ik al eerder zo’n wonder heb mogen ontvangen echt al het gevoel dat die bevruchte eitjes mijn kinderen zijn. Maandag hoorden we zelfs dat alledrie de embryo’s die ze voor deze poging lieten doorontwikkelen het goed doen. Het idee dat er daarvan één wordt uitgekozen en de rest de vriezer ingaat, voelt super raar! Een aantal mensen schreven mij al dat zij dit precies zo hebben ervaren. Eerder stond ik hier niet zo bij stil, maar nu voelt het als een luxe positie die nergens op slaat. ⁣

Iemand vroeg me of we ze dan ook gaan doneren, en ik antwoordde dat ik dat in dit stadium niet zou kunnen. Een compleet bevruchte eicel die al 100% Gergö en mij is doneren en dan niet weten hoe dat kindje gaat opgroeien? Dat kan ik niet, dat voelt niet goed. Dat is het enige eerlijke antwoord hier.

Update: uiteindelijk heeft van de 3 embryo’s eentje het gered. Die is teruggeplaatst en we zijn nu in extreem spannende afwachting hoe dit zal aflopen. Op dit moment is de kans dat het goed is 50/50. Mocht het fout zijn liggen er dus nog 4 bevruchte eicellen in de vriezer, daar zijn we heel dankbaar voor!



————–

Daar is het al!’ zegt Gergö.

Ik leg mijn hoofd in mijn nek en tuur bij de steile rotswand omhoog. ‘Al?!’ 

Heel ver weg, hoog op de klif, torent het klooster waar we naartoe gaan boven ons uit. Als een onbereikbaar sprookjeskasteel, de toren van Rapunzel. En helaas is er in dit verhaal geen monnik die ons zijn lange vlecht toegooit om ons te helpen. 

Ik heb net dertien kilogram slapende peuter, die vandaag perse op de buik in de drager wilde, door de kloof gedragen. Tientallen glibberige houten trapjes en oneffen rotspaadjes langs snelstromende water. In mijn hoofd heb ik alvast een lange review over dit natuurwonder geschreven waarbij ik iets noem over sponzen onder je oksels binden en het klooster lijkt me vanaf haar hoge positie grijnzend uit te lachen om mijn rode hoofd en piekerige haar.

De laatste meters tot ons einddoel volgen we de veertien staties van de lijdensweg van Jezus. Je zou het bijna toepasselijk noemen…
De initiële stoot endorfine die ik na de kloof voelde, lijkt een beetje op, maar we redden het. We komen bovenop de rots aan en de peuter plast direct naast het kapelletje op het gras. We kijken naar geel-donzige babyganzen die twee keer zo groot zijn als een volwassen eenden en eten een warme hap typisch Biergarten-voer. We zien de wolken over de bergen rollen en maken een kitscherig foto met een foto paal op het terras.

Optimisme brengt je op de tofste plekjes.
Optimisme maakt de simpelste dingen in het leven cool. 

En de coolste dingen simpel. 


Langzaam

‘Eitjes eruit, vakantiestemming erin!’, dat moet wel een beetje ons motto geweest zijn toen we op de helft van onze ICSI-behandeling belandden.  Nog geen drie uur na de punctie zat ik, nog half gedrogeerd van de propofol, naast Gergö in de auto op weg naar ‘een contactpersoon’.

Meestal is zoiets het begin van een slechte horrorfilm, maar in dit geval was het gewoon een verrassingsweekend dat Gergö voor ons had georganiseerd. De contactpersoon bleken er twee te zijn. Ze reden meer dan twintig minuten voor ons uit over een grindpad zo smal en steil de berg op dat ik alvast mijn coördinaten doorstuurde naar wat vriendinnen en regelde welke muziek ik op mijn begrafenis wilde, maar toen we op de berg arriveerden en de eerste koe zijn kop door mijn open autoraam stak, verdwenen alle horrorfilmzorgen als sneeuw voor de zon.  Ik was in een Heidi-droom gearriveerd: een berghut op meer dan zeventienhonderd meter hoogte, het hele weekend helemaal voor ons alleen.

Een weekend lang hielden we ons alleen met de meest basale taken bezig. Warm prakje eten? Dan eerst hout hakken en vuur maken. Warm douchen? Eerst een uur flink stoken in de badkamer om daarna het wandelzweet van je lijf te kunnen spoelen. Vervolgens zorgen dat het vuur aanblijft, zodat je na het koken ook nog kunt afwassen en je kleren kunt uitspoelen in een sopje, om die vervolgens weer boven het vuur te hangen. We deden niets en tegelijkertijd een heleboel.

Er was geen wifi en geen 4G, alleen een stel koeien met rinkelende bellen, af en toe voorbijkomende wandelaars en wat boeren die we niet tot nauwelijks kunnen verstaan.
 Het was heerlijk om niets te kunnen en niets te hoeven. Als er een optie is dan wil ik het doen. Dan móet ik het proberen, want ik heb een haast onbedwingbare drang naar avontuur. Hier werd ik helemaal stilgezet.

De peuter vermaakte zich ondertussen met de simpelste dingen. Bakjes water voor de koeien neerzetten, bieslook plukken en opeten, het huis en het terrasje vegen met de strobezem en helpen met hout in een mand stoppen.
Maar: als ik zo bij mezelf na ga, is ze eigenlijk altijd wel zo.
Kinderen zijn veel meer ‘aanwezig’ en in het moment dan wij volwassenen. Wij moeten eerst naar een blokhut boven op een berg, ver buiten de bewoonde wereld verkassen om echt te kunnen onthaasten. Naja, ik dan… misschien ben jij wel heel goed in onthaasten in je achtertuin?

Nu zou ik niet willen dat ik altijd een uur moet stoken voor ik kan douchen, of een uur moet wachten op een kopje thee, maar ik realiseer me nu wel wat een enorm verschil het is met vroeger dat we met één draai aan de knop warm water uit de kraan kunnen halen en met één druk op de knop de kookplaat aan kunnen zetten. 

Je zou juist denken dat we tijd overhouden doordat alles sneller gaat, maar juist het langzame leven geeft je meer tijd. Kwaliteits-tijd! Want waar is in al die snelheid de aandacht? Waar is gewoon ‘zijn’ in het moment? 
We zijn niet persé beter af met het gemak en de snelheid die ons leven heeft gekregen.

De thee smaakt gewoon lekkerder als je erop hebt moeten wachten, ervoor hebt moeten werken.
Het leven proef je gewoon beter als het langzamer gaat.

Lachen en knikken

‘Zorg dat je het hekje dichthoudt, anders staat er zo een koe in de kamer,’ wordt ons door de eigenaren van de berghut op het hart gedrukt als ze ons alles over ons onderkomen voor het weekend uitleggen.
We knikken braaf, leren nog even hoe de kachels werken en zwaaien dan onze gastheer en -vrouw uit die weer in de auto stappen voor de lange weg de berg af.
 
Al gauw steken er twee koppen over het hek, niet van de koeien, maar van twee boeren die nog nieuwsgieriger blijken dan hun dieren.
Er wordt ons iets toegeroepen, drie woorden zijn het maar, maar we verstaan er niks van. Gergö en ik kijken elkaar vertwijfeld aan. Met Bayerisch redden we ons inmiddels wel, maar dit…?
‘Gewoon vriendelijk kijken,’ sis ik vanuit mijn mondhoek. We grijnzen allebei ongemakkelijk en proberen zo vriendelijk en geïnteresseerd mogelijk te knikken. Een vreemde blik. Nog een keer die drie woorden.
Ik voel lichte paniek opkomen, tot een van de twee besluit het in het meest nette Duits wat ze kent langzaam uit te spreken: ‘Waar komen jullie vandaan?’

Opluchting. Die vraag kan ik beantwoorden. ‘We zijn Nederlanders uit München!’ roepen we.
Een goedkeurend knikje. We zijn blijkbaar geslaagd voor de test.
Ze vertellen ons nog het een en ander en wij proberen onze gezichtsuitdrukkingen en aha’s en ‘oh!’s te laten passen bij wat er volgens ons gezegd wordt. Een soort Russische spraak-roulette waarbij je zomaar af kunt zijn.
Volgens mij geeft de vrouw aan dat we in de stal mogen kijken als we dat willen, maar het kan ook zijn dat ze iets over het weer van de afgelopen week vertelt. Ik meen te begrijpen dat ze gek zijn op trampolinespringen, maar ergens lijkt me dat aan hun leeftijd en postuur te zien ook weer onwaarschijnlijk. Ze zijn super super vriendelijk, maar het aantal benodigde hersencellen om het gesprek te volgen is zo groot dat Gergö en ik, als ze een paar minuten later weer vertrekken, met klutsende oksels en zweet op het voorhoofd achterblijven.

We kijken het tweetal na.
‘Ik hoop niet dat ze ons hebben uitgenodigd voor de maaltijd, ofzo, en dat we dan niet op komen dagen,’ zeg ik met opgetrokken wenkbrauwen, terwijl we het tweetal nakijken.
‘Ja… en dat ze dan bijvoorbeeld een heel varken aan het spit voor ons braden,’ doet Gergö er een schepje bovenop.
We wisselen een blik uit. 

Rond etenstijd verstoppen we ons voor de zekerheid maar even achter een dichte deur in ons hutje. De bonen uit blik smaken ons die avond extra lekker.