Kapot.

Op velerlei verzoek: een blog over de Duitse variant van het ‘consultatiebureau’

‘We gaan we door een heftige tijd hoor, ze is echt elke twee uur wakker ’s nachts nu voor de borst.’ 
Ik kijk onze kinderarts aan, klaar voor een ontdane reactie. Mijn kind is zo’n 5 a 6 maanden, ik heb het natuurlijk ouderschap nog niet ontdekt (en daarmee alle idiote clichés over baby’s en slapen nog niet in een kano een woeste waterval af laten storten) en verwacht dat de arts wel in shock zou zijn, want mijn kind is duidelijk kapot. Nu al. Ben nog geen zes maanden ouder en ik heb het al verpest. 

In Duitsland heb je geen consultatiebureau, maar ga je vanaf de geboorte tot en met dat je kind veertien is voor alle lichamelijke en geestelijke checks, maar ook met klachten, naar je kinderarts. Eigenlijk een consultatiebureau en huisarts speciaal voor kinderen in één, dus. Voor direct na de geboorte kun je je daarnaast ook nog bij een Hebamme aanmelden die eerst dagelijks en daarna wekelijks thuis komt kijken hoe het met mama en de baby gaat, hoe bijv. de borstvoeding loopt en die vragen beantwoordt, maar dit is niet verplicht en de kinderarts wel. 

De kinderarts knikt vriendelijk naar me. Hij en zijn vrouw runnen samen deze praktijk en hebben zelf drie  kinderen. Ik wacht zijn geschokte reactie nog even af, maar die blijft echt uit. De baby krijgt een brede glimlach en ik een ‘tot de volgende maand dan, hé!’ 
Met toch wel opgetrokken wenkbrauwen sta ik even later weer voor de de deur van de praktijk met mijn guppie blij in de draagdoek.
Dit is toch niet normaal? 

We spoelen even door. Het meiske is drie jaar en we zijn voor het eerst bij onze nieuwe kinderarts in de buurt van München. Inmiddels ben ik groot fan van natuurlijk ouderschap, slapen we nog steeds allemaal samen en is borstvoeding nog steeds niet helemaal weg te denken. Ach ja, en eigenlijk slapen we inmiddels vrijwel alle nachten supergoed. Helemaal als vanzelf gebeurde dat!

We werken ons door de gebruikelijke vragenlijst heen, waarbij de nadruk ligt op: zijn de ouders blij met hoe het gaat. Ik kruis in een woordenlijst aan welke woorden ze zoal gebruikt, het guppie wordt gewogen, gemeten, bloeddruk wordt afgelezen en alles wordt opgeschreven in haar Gele Schrift: het schrift waar haar complete ontwikkeling vanaf de geboorte in is bijgehouden. 
Bij ons ook wel het ’schrift in een ondefinieerbare kleur door de sporen van het dagelijks leven’ genaamd.
‘Heeft ze ook nog een speen?’ vraagt de arts. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Nooit gehad. Ze krijgt nog wel borstvoeding.’ 
Hij knikt. ‘En alle vaccinaties zijn al compleet, zie ik?’ 

Dochterlief speelt op de grond met een puzzel, de arts en ik praten uitgebreid over hoe het met haar gaat.  Hij vraagt naar onze situatie en of we ons goed redden zonder de familie in de buurt. Daarna gooit hij een paar keer een bal naar de peuter, die vol plezier vangt en terugwerpt. De kinderarts kijkt nauwkeurig hoe ze zich daarbij beweegt en legt mij daarna uit waar hij op heeft gelet. We hebben nog even lol over het feit dat Gergö een koud water allergie heeft (ik bedoel… whaha!) en praten wat over mijn schrijven; voor dit jaarlijkse bezoek wordt rustig drie kwartier uitgetrokken en ook een gezellig praatje hoort bij hun beeldvorming van ons gezin. 

Waar je in het begin iedere maand naar de kinderarts gaat voor controle en de inentingen, heb je vanaf 1 jaar minder controles. Met twee en met drie jaar zijn er dan weer een groot onderzoek, die bij wet verplicht zijn en waarbij de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling volledig worden nagegaan.  

Ik heb mij vanaf dag één als een vis in het water gevoeld bij het Duitse systeem. Ik heb in totaal vier verschillende kinderartsen gezien en ons is nog nooit ongevraagd (onjuist) advies gegeven. Voor je staat iemand die jaren medicijnen heeft gestudeerd, gespecialiseerd is in het kinderlichaam en die daar bovenop nog weer extra specialisaties heeft. Zo is onze nieuwe arts ook allergoloog. Nu denk je misschien: kennis betekent niet persé inlevingsvermogen, maar precies dat troffen we steeds. 
(Oké, bij drie van de vier. Over één van de artsen, die we overigens slechts 1x bezochten, kan ik een soort tragikomedie schrijven. Misschien speel ik het een keer na in één van mn stories?)  
Daarnaast waren alle artsen die wij bezochten zelf ook ouder en konden we ook van ouder tot ouder met ze overleggen. De nadruk ligt op: zijn de ouders blij en is het kind blij en gezond. Hoe we slapen, hoe we eten en hoe we ons door het leven bewegen, zal de kinderarts een zorg zijn. Tenzij wíj ermee zitten en ons niet happy voelen. Tenzij hij zou merken dat er iets misschien niet in de haak is of niet goed loopt. 

Super voor mekaar wel, Duitsland! 

En dan nog dit…

Tijdens ons berghut-avontuur schreef ik ook op Instagram nog twee hersenspinsels die ik jullie lezers van mijn blog niet wilde onthouden:

22.30 u. In de verte flitst het onophoudelijk boven het dal, dikke regendruppels vallen op ons houten hutje. Het vuur is net een beetje aan het uitbranden, als er ineens een boel kabaal voor de deur klinkt. We kijken elkaar aan zonder woorden: de koeien.⁣

Koeien gaan hier niet met de kippen op stok. Ook ‘s nachts hoor je de rinkelende bellen af en toe in colonne langskomen, maar dit klinkt anders. Het lijkt wel een religieuze samenkomst met al dat bellengerinkel en we horen ook wat gerammel en gebonk met balken. Gergö pakt een zaklampje en tuurt in het aardedonker vanaf de deur naar buiten om te kijken wat er gebeurt. Twee koeien staan als hitsige pubers samen tegen onze auto aan te schuren, terwijl vier anderen hun kop door ons hek hebben gestoken en elkaar verdringen om aan de spullen op het terras te snuffelen. ⁣

Weet je wat ik lastig vind? Deze koeien op de berg lijken echt een heerlijk leven te leiden, maar ook deze koeien worden geïnsemineerd om vervolgens het kalf direct af te pakken, puur zodat er weer liters van haar moedermelk gepompt kunnen worden voor ons mensen. Alles in overdreven hoeveelheden en op routinematige wijze. Meer, meer, meer, en na een paar jaar afgedankt naar de slacht. Stel je even voor dat we mensen-moedermelk in zo’n beetje alle producten die je je kunt voorstellen zouden stoppen. Say what?! ⁣

En toch doe ik er ook aan mee, want als we op pad zijn neem ik een ijsje. Of Käsespätzle (en dan mag ik blij zijn dat die optie er is, naast alle varkenspoten). Gewone melk in mn koffie doe ik al tijden niet meer, dat krijg ik gewoon niet door mn keel, maar er zijn nog een boel momenten waarbij ik uit gemak en gebrek aan keuze voor iets met kaas kies of gewoon met eieren bak. ⁣

Dus wat ik hier precies wil zeggen, weet ik niet. Ik vind het moeilijk, ik vind het stom, ik hoop dat we steeds meer op een betere manier met onze planeet en de dieren zullen omgaan.⁣

Deze is voor jullie, koetjes.



——————-

Wat ik het meeste ga missen? De koude handjes en voetjes van de peuter op bed tegen me aan gefriemeld, terwijl direct naast ons in het kleine woonkamertje het vuur knettert. Dat gevoel van klein en overzichtelijk. Dat je twee stappen doet en je hele huis door bent. Voor een samen-fan (eerder freak) als ik is dit de hemel. Ik ben gek op verbondenheid en nabijheid dus m’n lievies altijd twee stappen verderop vind ik echt heerlijk.⁣

Dit keer was er echter ook het gekke gevoel dat er 7 potentiële kinderen een paar honderd kilometer verderop in de kliniek ‘lagen’. Call me totaal crazy, maar ik heb nu ik al eerder zo’n wonder heb mogen ontvangen echt al het gevoel dat die bevruchte eitjes mijn kinderen zijn. Maandag hoorden we zelfs dat alledrie de embryo’s die ze voor deze poging lieten doorontwikkelen het goed doen. Het idee dat er daarvan één wordt uitgekozen en de rest de vriezer ingaat, voelt super raar! Een aantal mensen schreven mij al dat zij dit precies zo hebben ervaren. Eerder stond ik hier niet zo bij stil, maar nu voelt het als een luxe positie die nergens op slaat. ⁣

Iemand vroeg me of we ze dan ook gaan doneren, en ik antwoordde dat ik dat in dit stadium niet zou kunnen. Een compleet bevruchte eicel die al 100% Gergö en mij is doneren en dan niet weten hoe dat kindje gaat opgroeien? Dat kan ik niet, dat voelt niet goed. Dat is het enige eerlijke antwoord hier.

Update: uiteindelijk heeft van de 3 embryo’s eentje het gered. Die is teruggeplaatst en we zijn nu in extreem spannende afwachting hoe dit zal aflopen. Op dit moment is de kans dat het goed is 50/50. Mocht het fout zijn liggen er dus nog 4 bevruchte eicellen in de vriezer, daar zijn we heel dankbaar voor!



————–

Daar is het al!’ zegt Gergö.

Ik leg mijn hoofd in mijn nek en tuur bij de steile rotswand omhoog. ‘Al?!’ 

Heel ver weg, hoog op de klif, torent het klooster waar we naartoe gaan boven ons uit. Als een onbereikbaar sprookjeskasteel, de toren van Rapunzel. En helaas is er in dit verhaal geen monnik die ons zijn lange vlecht toegooit om ons te helpen. 

Ik heb net dertien kilogram slapende peuter, die vandaag perse op de buik in de drager wilde, door de kloof gedragen. Tientallen glibberige houten trapjes en oneffen rotspaadjes langs snelstromende water. In mijn hoofd heb ik alvast een lange review over dit natuurwonder geschreven waarbij ik iets noem over sponzen onder je oksels binden en het klooster lijkt me vanaf haar hoge positie grijnzend uit te lachen om mijn rode hoofd en piekerige haar.

De laatste meters tot ons einddoel volgen we de veertien staties van de lijdensweg van Jezus. Je zou het bijna toepasselijk noemen…
De initiële stoot endorfine die ik na de kloof voelde, lijkt een beetje op, maar we redden het. We komen bovenop de rots aan en de peuter plast direct naast het kapelletje op het gras. We kijken naar geel-donzige babyganzen die twee keer zo groot zijn als een volwassen eenden en eten een warme hap typisch Biergarten-voer. We zien de wolken over de bergen rollen en maken een kitscherig foto met een foto paal op het terras.

Optimisme brengt je op de tofste plekjes.
Optimisme maakt de simpelste dingen in het leven cool. 

En de coolste dingen simpel. 


Langzaam

‘Eitjes eruit, vakantiestemming erin!’, dat moet wel een beetje ons motto geweest zijn toen we op de helft van onze ICSI-behandeling belandden.  Nog geen drie uur na de punctie zat ik, nog half gedrogeerd van de propofol, naast Gergö in de auto op weg naar ‘een contactpersoon’.

Meestal is zoiets het begin van een slechte horrorfilm, maar in dit geval was het gewoon een verrassingsweekend dat Gergö voor ons had georganiseerd. De contactpersoon bleken er twee te zijn. Ze reden meer dan twintig minuten voor ons uit over een grindpad zo smal en steil de berg op dat ik alvast mijn coördinaten doorstuurde naar wat vriendinnen en regelde welke muziek ik op mijn begrafenis wilde, maar toen we op de berg arriveerden en de eerste koe zijn kop door mijn open autoraam stak, verdwenen alle horrorfilmzorgen als sneeuw voor de zon.  Ik was in een Heidi-droom gearriveerd: een berghut op meer dan zeventienhonderd meter hoogte, het hele weekend helemaal voor ons alleen.

Een weekend lang hielden we ons alleen met de meest basale taken bezig. Warm prakje eten? Dan eerst hout hakken en vuur maken. Warm douchen? Eerst een uur flink stoken in de badkamer om daarna het wandelzweet van je lijf te kunnen spoelen. Vervolgens zorgen dat het vuur aanblijft, zodat je na het koken ook nog kunt afwassen en je kleren kunt uitspoelen in een sopje, om die vervolgens weer boven het vuur te hangen. We deden niets en tegelijkertijd een heleboel.

Er was geen wifi en geen 4G, alleen een stel koeien met rinkelende bellen, af en toe voorbijkomende wandelaars en wat boeren die we niet tot nauwelijks kunnen verstaan.
 Het was heerlijk om niets te kunnen en niets te hoeven. Als er een optie is dan wil ik het doen. Dan móet ik het proberen, want ik heb een haast onbedwingbare drang naar avontuur. Hier werd ik helemaal stilgezet.

De peuter vermaakte zich ondertussen met de simpelste dingen. Bakjes water voor de koeien neerzetten, bieslook plukken en opeten, het huis en het terrasje vegen met de strobezem en helpen met hout in een mand stoppen.
Maar: als ik zo bij mezelf na ga, is ze eigenlijk altijd wel zo.
Kinderen zijn veel meer ‘aanwezig’ en in het moment dan wij volwassenen. Wij moeten eerst naar een blokhut boven op een berg, ver buiten de bewoonde wereld verkassen om echt te kunnen onthaasten. Naja, ik dan… misschien ben jij wel heel goed in onthaasten in je achtertuin?

Nu zou ik niet willen dat ik altijd een uur moet stoken voor ik kan douchen, of een uur moet wachten op een kopje thee, maar ik realiseer me nu wel wat een enorm verschil het is met vroeger dat we met één draai aan de knop warm water uit de kraan kunnen halen en met één druk op de knop de kookplaat aan kunnen zetten. 

Je zou juist denken dat we tijd overhouden doordat alles sneller gaat, maar juist het langzame leven geeft je meer tijd. Kwaliteits-tijd! Want waar is in al die snelheid de aandacht? Waar is gewoon ‘zijn’ in het moment? 
We zijn niet persé beter af met het gemak en de snelheid die ons leven heeft gekregen.

De thee smaakt gewoon lekkerder als je erop hebt moeten wachten, ervoor hebt moeten werken.
Het leven proef je gewoon beter als het langzamer gaat.

Lachen en knikken

‘Zorg dat je het hekje dichthoudt, anders staat er zo een koe in de kamer,’ wordt ons door de eigenaren van de berghut op het hart gedrukt als ze ons alles over ons onderkomen voor het weekend uitleggen.
We knikken braaf, leren nog even hoe de kachels werken en zwaaien dan onze gastheer en -vrouw uit die weer in de auto stappen voor de lange weg de berg af.
 
Al gauw steken er twee koppen over het hek, niet van de koeien, maar van twee boeren die nog nieuwsgieriger blijken dan hun dieren.
Er wordt ons iets toegeroepen, drie woorden zijn het maar, maar we verstaan er niks van. Gergö en ik kijken elkaar vertwijfeld aan. Met Bayerisch redden we ons inmiddels wel, maar dit…?
‘Gewoon vriendelijk kijken,’ sis ik vanuit mijn mondhoek. We grijnzen allebei ongemakkelijk en proberen zo vriendelijk en geïnteresseerd mogelijk te knikken. Een vreemde blik. Nog een keer die drie woorden.
Ik voel lichte paniek opkomen, tot een van de twee besluit het in het meest nette Duits wat ze kent langzaam uit te spreken: ‘Waar komen jullie vandaan?’

Opluchting. Die vraag kan ik beantwoorden. ‘We zijn Nederlanders uit München!’ roepen we.
Een goedkeurend knikje. We zijn blijkbaar geslaagd voor de test.
Ze vertellen ons nog het een en ander en wij proberen onze gezichtsuitdrukkingen en aha’s en ‘oh!’s te laten passen bij wat er volgens ons gezegd wordt. Een soort Russische spraak-roulette waarbij je zomaar af kunt zijn.
Volgens mij geeft de vrouw aan dat we in de stal mogen kijken als we dat willen, maar het kan ook zijn dat ze iets over het weer van de afgelopen week vertelt. Ik meen te begrijpen dat ze gek zijn op trampolinespringen, maar ergens lijkt me dat aan hun leeftijd en postuur te zien ook weer onwaarschijnlijk. Ze zijn super super vriendelijk, maar het aantal benodigde hersencellen om het gesprek te volgen is zo groot dat Gergö en ik, als ze een paar minuten later weer vertrekken, met klutsende oksels en zweet op het voorhoofd achterblijven.

We kijken het tweetal na.
‘Ik hoop niet dat ze ons hebben uitgenodigd voor de maaltijd, ofzo, en dat we dan niet op komen dagen,’ zeg ik met opgetrokken wenkbrauwen, terwijl we het tweetal nakijken.
‘Ja… en dat ze dan bijvoorbeeld een heel varken aan het spit voor ons braden,’ doet Gergö er een schepje bovenop.
We wisselen een blik uit. 

Rond etenstijd verstoppen we ons voor de zekerheid maar even achter een dichte deur in ons hutje. De bonen uit blik smaken ons die avond extra lekker. 

Brownie

Jongens, ik beloof dat dit niet in een dierenblog gaat veranderen. Eigenlijk had ik al een stuk bijna af (viva la vaatvlies), maar die bewaar ik toch voor de volgende keer. Want kijk, dit is Brownie. En Brownie geeft NUL om wat ik wil.

‘Kom op, Brownie!’ riep ik enthousiast toen we op pad gingen, en ik klakte met m’n tong. Brownie hobbelde een paar meter gedwee mee, maar begon toen ineens hard te trekken. ‘Ho…’ mompelde ik. De onzekerheid spatte er blijkbaar vanaf, want terwijl ik nog probeerde om Brownie met zachte dwang op het pad te houden, wierp hij mij met een sierlijke beweging als een veertje over zijn nek om de berm in te duiken. 
‘Geeft niks, ik moet hem gewoon laten zien wie de baas is’, legde ik enthousiast uit, terwijl ik wat distels uit m’n broek plukte. De peuter keek me onbegrijpelijk aan. Dat krijg je ervan als ze volgens de principes van het natuurlijk- en onvoorwaardelijk ouderschap opgroeien. 

Na tien minuten was één ding duidelijk: er was maar één baas en dat was Brownie. Ik leek wel de baas, tot Brownie bedacht dat hij iets wilde. 
We waren inmiddels ongeveer tweehonderd meter en vele happen gras en malse blaadjes verder. Een vrachtwagen reed langs en ik deed heel nonchalant alsof het de bedoeling was dat ik daar half in de sloot tussen de brandnetels met een grazende pony stond. 

Dapper probeerden we de ronde af te maken. Iedere keer als ik naar links wilde, duwde Brownie me naar rechts. En zei ik kordaat: ‘Nu lopen we even door!’ dan stond Brownie stokstijf stil voor een volgende hap. Het werd duidelijk dat Brownie alleen wilde lopen tijdens het kauwen, maar zodra het gras was doorgeslikt moest de voorraad worden aangevuld en ik was met mijn 55 kilo nog minder partij dan een strontvlieg. 

Je zou denken dat ik met een peuter wiens levensmotto ‘je kunt beter bij iedere stoeptegel stil staan, want straks mis je iets belangrijks’ is ik dit wel goed kan handelen, maar ik vond het knap lastig. Een zacht zetje in de goede richting is best moeilijk als het object van het zetje sterk genoeg is om twintig versies van jou in een bolderkar achter zich aan te trekken. En samen overleggen was er ook niet echt bij. 
Vooral het iedere paar meter opnieuw moeten vechten, beviel me totaal niet en ineens wist ik weer waarom ik zo’n enorme fan ben van níet de baas willen zijn. Van een positieve ja-omgeving. Van overleggen. Van vrijheid. Autonomie bevorderen. Wederzijds respect voor elkaars mening en wil. Samen mens zijn. Kinderen als mens zien. Kinderen zíen.

Voor Brownie is het waarschijnlijk te laat. Ik geloof niet dat Kiind Magazine binnenkort in het ‘Paards’ vertaald wordt. Dus tja, bij dezen trek ik de conclusie dat wij als ‘natuurlijk ouderschap’ ouders totaal ongeschikt zijn om ponyritjes te begeleiden. Maar gelukkig doen onze kinderen het best wel leuk. 

Aan hanen doen wij niet.

‘De buurt heeft wel de afspraak,’ werd er vooraf al gezegd. ‘Dat we hier geen hanen houden.’ 

Mijn ouders zouden kippen krijgen. Ooit zei mijn moeder: ‘Wij doen niet aan huisdieren,’ maar na  hamsters, konijnen, cavia’s, ratten, wandelende takken en vissen, en nu met een poes, een hond, én een vogel konden die kippen er ook nog wel bij. Het hok was al gebouwd en het wachten was nu op de intrek van deze vijf nieuwe gezinsleden. 
Kippen, want aan hanen deed de buurt niet. 

Maar ja: er zat toch een haan tussen. En hij was zó mooi. En in het begin kraaien ze ook niet. En bijna alle buren zijn in de negentig en doof. En dus mocht hij blijven: haan Donald. (niet het stripfiguur) De kippen werden Betsie, Essie, Kim (Y.U.) en Barack (O) gedoopt. 

Mijn vader timmerde een luik voor het raam zodat het goed donker zou zijn, in de hoop dat de dieren zouden uitslapen, maar net als kleine kinderen liet de familie kip zich niet foppen door wat halfslachtige verduistering:
‘Krrrrrrr…. Kuuuuu’ 
Het was vijf uur ’s ochtends en mijn ouders keken elkaar aan. Uur U; Donald was begonnen met kraaien. Hij werd steeds dapperder, kraaitje hier, kraaitje daar, tot na een paar dagen een helder en trots ‘kuuuuukelekutuuuuuuu’ de ochtendstilte uiteen reet. 

‘Wanneer laat je die haan nou doodmaken?’ klaagde een buurvrouw subtiel. ‘Zelfs (naam van buurvrouw drie huizen verderop) heeft last van dat beest!’ 
Gek genoeg hoorden wij, toch zeker dertig meter dichterbij aan de zijkant van mijn ouders huis, niet zoveel van de haan, maar mijn ouders die boven sliepen wel. Zij wilden geen kwaad bloed zetten en dus kwam er na een zoveelste ‘Marius met die rothaan’ tijdens het boodschappen doen dan toch de dag dat haan Donald zou worden opgehaald. 

Wij waren boos, want dieren maak je niet moedwillig dood. Nou oké, behalve muggen dan. Je begrijpt dus wel dat we heel blij waren toen hanenredder-Daan-van-verderop met de boodschap kwam dat hij voor onze Donald een plekje op een boerderij had gevonden.  
Hij kwam hem zelf ophalen. De dames werden even opgesloten in het nachtverblijf en Daan kroop in het kippenhok om Donald bij de poten te grijpen. Hup, zo in een doos en dat was het dan. Nog geen twee minuten later werd Donald in de kofferbak van de auto geschoven. Iets zwaars erop zodat hij niet zou ontsnappen en klaar was Daan. 

En zo bleven mijn ouders, nadat hun vier kinderen al een tijdje waren uitgevlogen, achter met vier kippen: Betsie, Essie, Barack en Kim.  Al snel waren dat er nog maar drie, want ironisch genoeg (vanuit de naam gezien) lag Kim op een dag ineens dood in het hok.

Later vernamen we overigens dat Donald bij aankomst op de boerderij direct de kippen bevloog.

De kniekous.

Ik zie het meteen als ik binnenloop: ik ben de enige klant.

‘Verstop je!’ sist een stem in mijn hoofd. Ik maneuvreer mezelf snel schuin achter een schap en plan een exit-strategie, maar de winkel is klein.
‘Kan ik je helpen?’ klinkt het achter mij. De toon van de verkoopster klinkt blij. Té blij. Die heeft beslist al ruim een uur geen klant meer gehad.
‘Uhh,’ begin ik dapper. De zin moet eindigen in ‘nee hoor, ik kijk alleen even,’ maar in plaats daarvan floept uit mijn mond: ‘Ja, ik zoek een maillot.’ 
‘Welke maat?’ kaatst ze razendsnel terug. 
’92/98’
De verkoopster bukt voorover en graait wat in een rek. ‘Oei,’ hoor ik. ‘Is dit ook goed?’
Ze komt overeind en houdt een gitzwarte maillot omhoog. ‘Maatje 128. Waarschijnlijk iets te groot dan, he?’ vult ze alvast voor mij in. 
Ik knik. ‘Ja, dat denk ik ook.’ 
‘Ik heb wel dit in de goede maat,’ zegt ze en ze houdt een stel kniekousen in de lucht. Ik weet niet wie me smekender aankijken, haar ogen of de kousen. 
‘Uhm, ja, oké,’ zeg ik veel te vriendelijk. Ineens heb ik de kniekousen vast.
‘Ik kijk nog even,’ doe ik een dappere poging om eronderuit te komen, en kijkt een beetje onnozel om me heen. 
De verkoopster knikt, overbrugt de paar meter naar de balie, gaat achter de kassa staan en staart de winkel in. 
Ik gluur lonkend naar buiten, regen stroomt in enorme stralen naar beneden. Er is welgeteld precies één hond op straat (inclusief baasje in knalgele poncho) en hij lijkt niet van plan te zijn mij te komen redden door met een boodschap de verkoopster af te leiden. 

Ik adem een beetje in en uit, ik ga razendsnel alle hoekjes van mijn brein bij langs om te kijken of er ergens nog wat moed verstopt zit om de winkel gewoon te verlaten. Zonder aankoop, want ik heb dit gewoon niet nodig.
Langzaam loop ik een rondje en laat mijn hand langs wat producten glijden. Ik bestudeer geïnteresseerd het prijskaartje van een trui in maat 152 die Dakota over een jaar of vijf misschien wel past en probeer mijzelf wijs te maken dat ik dapper genoeg ben om met een kordaat ‘tot ziens’ de winkel te verlaten.  Nog een keer kijk ik naar de verkoopster. Ze kijkt echt best wel zielig. Of verbeeld ik mij dat?

‘Dat was het?’ 
Twee minuten later sta ik bij de kassa. Met de kniekousen en  per ongeluk ook nog met een stel glitter haarclipjes. 
‘Ja,’ zeg ik. Ik probeer alsnog heel kordaat te klinken, gewoon voor de vorm. 
Met de kniekousen en clipjes in mijn rugzak pak ik mijn enorme stormparaplu uit de bak bij de deur en loop naar mijn fiets om de regen weer te trotseren. 
‘De volgende keer zeg ik nee,’ zeg ik tegen mijzelf. ‘En dat je ook nog een reep chocola hebt gekocht, vertel je aan niemand.’ 

Politie.

‘Ik maak niks meer mee,’ zucht ik. 
De zon schijnt en we zitten in ons tuintje. We wriemelen onze blote tenen in het gras, terwijl Dakota een zelfbedacht verdwaalspel in de bosjes speelt. 
Gergö slurpt van zn koffie en kijkt me achterdochtig aan. 
‘Ja maar echt,’ benadruk ik, nog voor hij iets kan zeggen. ‘Hoe kan ik ergens over schrijven als ik niet bij mensen in de buurt mag komen? De enige mensen die bij andere mensen in de buurt mogen komen zijn politieagenten.’ 
Ik val even stil. 
‘Oh nee hé,’ waarschuwt Gergö, alsof hij mijn gedachten leest. ‘Als je het maar laat.’ 

We zijn met de auto op weg naar een afgelegen bos om te wandelen. In een klein dorpje waar het zo stil is dat het nu bijna een spookdorp lijkt, rijdt ons een politieauto voorbij. 
Ik rem een beetje af en kijk verlangend (of is het uitdagend?) uit het raam. 
Natuurlijk wil ik niet worden aangehouden omdat ik iets strafbaars doe, ik wil gewoon een gesprekje. Iets meemaken, zoals ons vroeger af en toe overkwam. Een schijnwerper en een vraag als ‘Wat doet u daar in die sloot?!’
Onze aanvaringen met de politie waren altijd aan het geocachen gerelateerd en daarbij kruip je nog wel eens bij nacht en ontij door sloten, of tunnels, of in ons geval ook grotten. Bij alle voorvallen was er sprake van een misverstand en vonden ze ons vooral heel raar.
Het toppunt was in Salt Lake City waar de SLPD ons op de verkeerscamera’s had gespot terwijl we ons ‘verdacht gedroegen bij een stoplicht’ en de beveiliging van de Mormoonse tempel, grote kerels in zwart pak met zonnebril en oortjes. ons letterlijk omsingelde. Een van hen bleek het spel te kennen en heeft nog even mee gekeken, de cache hebben we helaas niet gevonden en ook deze politieauto in het dorpje gunt ons geen blik waardig. ‘Anke…’ klinkt het naast mij. 
‘Ja, ja, maak je niet druk,’ bemoedig ik manlief haastig.  

Een paar dagen later is het ineens zover: op de weg naar een andere wandeling rijden we recht in een politiefuik. 
‘Pak de paspoorten!’ sis ik naar Gergö. Dit is mijn moment. Go-time. 
Ik rem in mijn enthousiasme veel te hard af en stop dus veel te vroeg, op zo’n 20 meter van de agent. Hij kijkt me bevreemd aan en wenkt dat ik tot hem moet doorrijden. Ik doe eerst het verkeerde raam open. Eigenlijk wil ik gelijk uit de auto springen en op de straat gaan liggen met mn handen op mn hoofd, maar dat is misschien wat overdreven. 
De agent werpt een korte blik in onze auto. Van de achterbank schalt de begintune van een nieuwe aflevering van Nijntje. Super badass. 
‘Hallo, joe, is goed. U mag verder rijden,’ lacht hij allervriendelijkst. 
Ik blijf staan, met het raam open. 
‘We kijken alleen of er niet teveel mensen in de auto zitten, u mag doorrijden,’ herhaalt de agent nog een keer met weer een brede glimlach. 
‘Weet u het zeker? Wilt u onze paspoorten niet even zien?’ vraag ik bijna smekend. 
‘Nee, dat hoeft niet. Fijne dag nog!’ 
De agent loopt naar zijn collega’s. Ik sta nog twee seconden stil en doe dan teleurgesteld het raampje weer dicht. En als er zoiets bestond als teleurgesteld optrekken, dan deed ik het op dat moment. 

Op deze manier zal het hier op mn blog voorlopig nog niet snel weer heel druk worden met verhalen. 

Namas-née

Ik duw mijn handen tegen elkaar voor mijn borst en buig statig voorover.
‘Naaaaa-maaaaa-stéééé’ zeg ik Jamie braaf na.
Jamie is de leidster van onze online kinderyoga.
Dit deden we voorheen niet, toen zongen en dansten we gewoon met onze Tonie box, maar op het moment ben je toch niet helemaal ‘Corona 2020’ als je niet minstens één van de honderden gratis cursussen die er ineens online staan volgt.
’Vandaag maken we een tent, want we gaan in de jungle kamperen!’ roept Jaime super enthousiast. Ze is zo blij dat ik het bijna eng vind, maar goed: mn kind en ik doen samen yoga. Wat een mooi moment. Pluk de dag.
Ik buig voorover om een kampvuur uit te beelden en voel hoe Dakota zich in mijn haar vastklampt en bij mijn rug omhoog klimt. Ze slaat haar benen om mijn nek, laat zich op de grond vallen en tettert in mijn oor: ‘Nog een keer!’ 


Voor ons is “thuis” zijn normaal. Niet op deze manier, zonder sociale contacten en activiteiten buiten de deur, maar toch: ons thuis vermaken en werken daarbij combineren is voor ons business as usual.
Ons huis en leven is zo ingericht zodat Dakota zichzelf kan redden en vrij kan spelen, en dat werkt.
Tot dus die quarantaine begon.
Ineens lees ik van de meest uiteenlopende types mensen die voor het eerst in hun leven ervaren hoe het is om zolang met je kind(eren) thuis te zijn berichten over persoonlijke groei en vliegen de gratis cursussen me om de oren.

Vanaf acht uur ’s ochtends begint het binnen te stromen:
Om 15.00 u wordt er voorgelezen, om 16.00 u moeten we allemaal buiten op ons instrument spelen en om 18.30 u volgt een live concert van het Wiener Philharmoniker.
Ondertussen deel je om het uur nieuwe knutselwerkjes met je volgers, eet je kind bijzondere zelfgemaakte snacks met ingrediënten die je voor de Corona tijd niet eens kende en luister je intelligente podcasts met het laatste wetenschappelijke virusnieuws. Daarbij moet je er wel leuk gekleed bijlopen, want dat helpt voor je werk-vibe en je positiviteit. Schroom niet die lipstick op je gezicht te smeren, ook als je de hele dag thuis zit. 

Ik wordt al kortademig als ik opschrijf waar ik ineens allemaal aan deel kan nemen.
Super tof hoor, maar ik wil helemaal niet de hele dag op een loopband voor mn laptop rennen met  bemoedigende Corona muziek en een zelfgebreide zweetband. Ik wil op het terras van onze ijssalon een ijscoupe met aardbeien eten en glimlachen om de karakteristieke oudere bewoners van ons dorp.
Maar ik ben er dus wel mega gevoelig voor en ik krijg zoveel berichten van mensen die ineens de meest fantastische tijd van hun leven beleven, dat ik het gevoel krijg dat er iets mis met me is. Een heleboel ietsen.

Want waar de rest van de wereld op dit moment schijnbaar de hele dag als gezin in de tuin tussen de madeliefjes zit te mediteren en hun kinderen tijdens hun homeoffice zingend twee uur achter elkaar spelen zonder één vraag te stellen, sta ik in de badkamer om het eerste huishoudelijk klusje in drie dagen te doen met naast mij een boze peuter. Doet Gergö een telecon met zn gezicht onder de dino tattoes en plast Dakota over zijn blote voeten tijdens datzelfde gesprek

Ik probeer het echt wel hoor, al die nieuwe dingen. Ik knutsel, ik yoga, ja: ik. Want mijn peuter zit er gewoon gezellig naast en kijkt hoe ik een luchtballon uitknip en in elkaar plak. Als ze me nou nog een kopje koffie bracht ofzo, hé…
Waar gaat dit nou mis? Eigenlijk voel ik me meer een soort heks die elke dag een gigantische huilbui heeft en vindt dat ze die niet mag hebben, omdat ieder ander het zoveel erger heeft en ik het helemaal niet erg mag vinden.
En kijk, ik leer ook echt wel wat, bijvoorbeeld dat ik het overleef als ik een dag geen avonturen beleef en thuis zit, maar mijn overlevingsstrategie voor deze nieuwe emoties is dat ik het gewoon even poep wil vinden. Ja het is voor de een meer poep dan voor de ander, maar poep is poep.

Op dit moment moeten we maar gewoon extra lief voor elkaar zijn. Ieder hersenpannetje probeert op dit moment zn eigen stoofpotje van de Corona te brouwen en ontploft in een zwarte wolk bij de toevoeging van een verkeerd ingredient.
Waar voor de een de ‘tel je zegeningen’ challenge niet snel genoeg in het leven kan worden geroepen, sluit de ander zich aan bij een ‘waarom zou ik mn benen nog scheren, het leven heeft zo toch geen zin meer’ challenge.
Overlevingsmechanismen als ‘je moet dankbaar zijn’ en ‘ik wil het gewoon even shit vinden’ botsen als aardplaten die niet weten of ze nou onder of over elkaar heen moeten schuiven.

Misschien moet ik maar beginnen met iets aardiger voor mijzelf te zijn.
Gewoon doen wat we altijd doen, me niet laten opjagen door buitenaf.
Samen werken, Pluk lezen, Geocachen, en gewoon dom met verf kliederen zonder allerlei opdrachten en challenges.

En de volgende keer als Jamie me een opdracht geeft zeg ik volmondig Namas-née.

PS:
Ik heb zojuist buiten wel stiekem een madeliefjeskrans gemaakt. In de zon. En ervan genoten.



Suspense

‘U kunt kiezen uit ossenstaartsoep of de saladebar.’
We hebben de ober nét uitgelegd dat we graag vegetarisch willen eten.
‘Nou, de saladebar dan maar hé,’ frons ik. ‘En als hoofdgerechten de käsespätzeln en de linguine met pesto.’

Het is echt bloed- en bloedheet in het Duitse eetcafé en waar wij volwassenen de schijn hoog houden dat het wel meevalt, zit Dakota binnen een minuut in haar hemd en met blote voeten.
‘Oh nee, kijk…’
Gergö stoot mij aan en wijst naar het tafeltje direct naast ons.
Een citer en een plastic spaarvarken: dat kan maar één ding betekenen…
Nu zijn er een boel scenario’s mogelijk als er iemand tijdens onze maaltijd muziek gaat zitten maken, maar in geen van die scenario’s piesen Gergö en ik niet in onze broek van het lachen.
Ik heb het in mijn leven twee keer meegemaakt en ik krijg er ZO de kriebels van dat je met een stalen gezicht je aardappels naar binnen moet schuiven terwijl er iemand met een viool in je gezicht ‘tulpen uit Amsterdam’ staat te jengelen.
Nu lijkt deze muzieksituatie redelijk im-mobiel want met een citer ga je niet van tafel naar tafel (toch? please?) maar toch, hé, het concert is zometeen op een meter afstand van mij en mijn kaasnoedels.

We halen salade en kort daarna ontdekken we de muzikant, laten we hem Anton noemen.
Anton ziet er Bayerisch deftig uit: groot postuur, een grijze wollen spencer en een hoedje met een veer.
Hij loopt het etablisement op en neer, van voor naar achteren, neemt de mensen in zich op en kijkt constant op zijn klokje, dat aan een kettinkje aan zijn kleding hangt. Zijn blikken zijn dermate serieus dat we, ondanks onze aversie voor tafel-muziek, bijna net zo nieuwsgierig worden naar zijn optreden als naar de ontknoping van een spannende moordfilm.

Met een beetje een ‘het is bijna Sinterklaasavond’ gevoel wachten we op ons eten.
Anton blijft op en neer lopen. De salade is op en Dakota zit inmiddels onder de tafel.
De ober komt terug: ‘U kunt nog een keer van de saladebar pakken,’ meldt hij gebiedend.
Terwijl ik nog wat koude boontjes en wat plastic-achtige mozzarella bolletjes op mn bord schep, gaat Anton achter zn citer zitten.
Hij doet een tijdje niets en kijkt een beetje verloren naar zijn instrument, alsof hij zich bij het uitzendbureau eigenlijk als automonteur had ingeschreven en nu per ongeluk hier citer moet spelen.
Wij weten niet goed of we nu onze adem moeten inhouden of onze billen moeten samenknijpen.
Dan bewegen Antons handen. We kijken gespannen toe, maar in plaats van naar de citer graaien ze naar een stapeltje papieren in zn vest, een soort spiek-kaartjes.
Ik zie geen noten, alleen tekst. ‘Wat zou het zijn?’ fluister ik.
‘Misschien zijn het brieven van zn overleden vrouw,’ oppert Gergö.
Ik peins even over deze zielige optie en heb in mijn hoofd al een half boek geschreven over ‘de zielige automonterende-citerspeler weduwnaar’, als Anton de papieren resoluut aan de kant schuift en zijn hand in zijn tas steekt.
Van alle opties van voorwerpen die tevoorschijn zouden kunnen komen, hadden we een plakband automaat het minste verwacht.
Het ding wordt naast de citer gezet en Anton begint met veel zorg plakbandjes om al zijn vingers te draaien.
Ik prop, gefascineerd starend, gedachteloos het ene na het andere vieze mozarellaballetje in mn mond.

Ons eten arriveert.
Dakota is inmiddels al vier keer klaar met de kleurplaat die ze heeft gekregen en wil graag slapen. Wij beginnen snel aan de pasta en kaasnoedels en kijken bijna smekend naar de man.
Er is nu sprake van zó’n lange (denkbeeldige) tromroffel, dat ik toch wel even wat wil horen voor we vertrekken.
En dan, waarempel, beroert Anton de snaren van het instrument. Weliswaar onhoorbaar, zelfs al zitten we op een meter afstand, en we kunnen er ook geen kaas(noedel) van maken wat voor muziek hij zit te spelen, maar er gebeurt wat! 

‘Ik denk dat hij aan het stemmen is,’ merkt Gergö na twee minuten op. Ik knik. Dat zal wel, inderdaad.
Onze borden raken leger en leger, Anton blijft onhoorbaar onsamenhangende klanken op zn citer tokkelen. De andere gasten lijken er ook geen aandacht aan te schenken.

We besluiten dat het niet zo mocht zijn en staan op om het restaurant te verlaten, en dan gebeurt het:
Precies op het moment dat we Anton’s tafeltje passeren, begint hij ineens echt te spelen.
Luid, duidelijk, en ook nog best leuk.
Hij groet ons met een brede lach en als boeren met kiespijn grijnzen we terug. We blijven staan en er verdwijnt wat geld in het spaarvarken.
‘Dat waren een paar hele dure noten,’ mompelt Gergö als we weglopen.
Ik grijns. ’Drie seconden muziek: twee euro. Een avondje suspense: onbetaalbaar!’

Dan horen we snelle voetstappen naderen…